ECLI:NL:ORBAACM:2026:35

ECLI:NL:ORBAACM:2026:35

Instantie Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak 16-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer AUA2025H00180
Rechtsgebied Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:OGEAA:2025:209

Samenvatting

Gouverneur heeft appellant met terugwerkende kracht mogen ontheffen uit functie technisch medewerker schilderen, schaal 5, en mogen plaatsen in functie van ondersteunend medewerker, schaal 3. Betreft formalisering van al langer bestaande feitelijke situatie en appellant is niet in zijn belangen geschaad. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

RAAD VAN BEROEP

Uitspraak

[Appellant],

De Gouverneur van Aruba,

Uitspraakdatum: 16 april 2026

Zaaknummer: AUA2025H00180

IN AMBTENARENZAKEN

VAN ARUBA

op het hoger beroep van:

wonend in Aruba,

appellant, ([[Appellant]],

gemachtigde: mr. R.P. Lee, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) van 30 juni 2025, met zaaknummer AUA202403067 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Appellant]

en

geïntimeerde (gouverneur),

gemachtigde: mr. A.F.J. Caster.

Procesverloop

[Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.

De gouverneur heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 5 maart 2026. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De gouverneur heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen de heer T. Kolfir, die als tolk Papiamento heeft opgetreden.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?

1. In deze zaak gaat het om de vraag of de gouverneur [appellant] met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 uit de functie van technisch medewerker schilderen bij de Dienst Openbare Werken (DOW), heeft mogen ontheffen en in de functie van ondersteunend medewerker bouwkundige werken bij DOW (ondersteunend medewerker) heeft mogen plaatsen. Daarbij zijn de volgende feiten van belang.

[Appellant] is in 1989 aangesteld als ambtenaar. Tot 1 augustus 2014 was hij werkzaam bij de Directie Onderwijs in de functie van onderhoudsmedewerker. Deze functie is maximaal gewaardeerd op schaal 4. Met ingang van 1 januari 2012 is [appellant] bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker B (schaal 3).

De Taskforce Schoolgebouwen van de Directie Onderwijs, waar [appellant] werkzaam was, is per 1 augustus 2014 ondergebracht bij DOW. [Appellant] is in verband daarmee bij landsbesluit van 9 augustus 2016 overgeplaatst naar DOW in de functie van technisch medewerker schilderen. Deze functie is maximaal gewaardeerd op schaal 5.

[Appellant] heeft over de periode van augustus 2014 tot en met december 2014 en over de jaren 2016, 2017 en 2018 onvoldoende beoordelingen gekregen voor zijn functioneren als technisch medewerker schilderen.

De leidinggevende van [appellant] heeft daarbij geadviseerd om hem in een lagere functie te plaatsen, zodat hij in zijn functioneren beter tot zijn recht zou komen en hij de mogelijkheid zou krijgen om door te groeien naar schaal 4. In de beoordelingen van de jaren 2016 en 2017 is vermeld dat [Appellant] tijdelijk is ingezet als hulp/helper van de elektriciens.

De directeur van DOW (directeur) heeft [appellant], naar aanleiding van zijn verzoek om bevordering bij brief van 26 februari 2019 bericht dat hij niet voorgedragen kan worden voor bevordering, omdat hij niet geschikt is voor de functie van technisch medewerker schilderen. Om die reden is ook besloten [appellant] niet langer in te zetten voor schilderwerk. In die brief is ook vermeld dat [appellant] met ingang van 1 januari 2015 definitief is geplaatst in de functie van ondersteunend medewerker. [Appellant] is over de jaren 2019, 2020 en 2021 beoordeeld in de functie van ondersteunend medewerker. Over de jaren 2019 en 2020 is zijn functioneren matig beoordeeld en over het jaar 2021 voldoende.

Bij landsbesluit van 5 mei 2020 is [appellant], vanwege het bereiken van vijfentwintig dienstjaren en twee jaren bezoldigd te zijn geweest op het maximum van schaal 3, met ingang van 1 maart 2016 bevorderd naar de rang van onderhoudsmedewerker A (schaal 4).

Bij landsbesluit van 18 september 2023 (bestreden besluit) is [appellant] met ingang van 1 januari 2015 ontheven uit de functie van technisch medewerker schilderen en geplaatst in de functie van ondersteunend medewerker. De gouverneur heeft daarbij ook het verzoek van [appellant] om bevorderd te worden naar schaal 5 afgewezen.

Wat is het oordeel van het Gerecht?

2. Het Gerecht heeft het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft daarbij overwogen dat het bestreden besluit een formele vastlegging is van het feitelijke carrièreverloop van [appellant] in de afgelopen jaren. Gezien artikel 53 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) mocht de gouverneur [appellant] in een andere functie plaatsen. Uit de verschillende beoordelingsgesprekken blijkt volgens het Gerecht dat [appellant] niet geschikt was voor de functie van technisch medewerker schilderen. Om een bevordering naar schaal 4 toch mogelijk te maken, heeft zijn leidinggevende geadviseerd hem in een lagere functie te plaatsen.

Dit advies is ook tijdens de verschillende beoordelingsgesprekken met [Appellant] besproken. Het Gerecht volgt [appellant] daarom niet in zijn betoog dat hierover geen afspraken met hem zijn gemaakt of dat hij niet is gehoord over de functiewijziging. Wel had de formalisering van de functiewijziging volgens het Gerecht veel eerder moeten plaatsvinden, maar hieraan worden geen consequenties verbonden omdat [appellant] daardoor geen nadeel heeft ondervonden.

Wat heeft [Appellant] aangevoerd tegen de uitspraak van het Gerecht?

3. [ Appellant] voert ten eerste aan dat de gouverneur in het bestreden besluit is uitgegaan van de verkeerde wettelijke grondslag. De gouverneur heeft in het bestreden besluit artikel 5 van de Lma vermeld, terwijl artikel 53 van de Lma van toepassing is. Omdat het hier om een wezenlijke fout gaat, meent [appellant] dat het besluit niet in stand kan blijven. Daarnaast stelt [appellant] dat bij zijn plaatsing onvoldoende rekening is gehouden met zijn jarenlange ervaring als schilder bij de Directie Onderwijs. Die werkzaamheden heeft hij steeds naar behoren verricht. Verder wijst [appellant] erop dat het bestreden besluit leidt tot een verslechtering van zijn rechtspositie. Zijn eerdere functie was maximaal gewaardeerd op schaal 5 terwijl hij nu is geplaatst in een functie met een maximale waardering op schaal 3. Tot slot voert [appellant] aan dat zijn verzoek om bevordering naar schaal 5 door de gouverneur is afgewezen zonder een duidelijke motivering.

Hoe oordeelt de Raad?

4. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Anders dan de gouverneur stelt, betekent de omstandigheid dat [appellant] bij brief van 26 februari 2019 door de directeur is bericht dat hij met ingang van 1 januari 2015 definitief is geplaatst in de functie van ondersteunend medewerker, niet dat hij geen bezwaar kon maken tegen het bestreden besluit. Zijn rechtspositie is immers door de gouverneur, als het bevoegde gezag, gewijzigd. Het besluit heeft rechtsgevolg en is dus een beschikking als bedoeld in artikel 35 van de La, waartegen rechtsmiddelen konden worden aangewend.

De Raad is, evenals het Gerecht, van oordeel dat artikel 53 van de Lma de grondslag vormt voor het bestreden besluit. Dit artikel bepaalt dat de ambtenaar in het belang van de dienst in een andere betrekking kan worden geplaatst.

Dat in het bestreden besluit ten onrechte artikel 5 van de Lma is vermeld, maakt dit niet anders nu de bevoegdheid van de gouverneur om [appellant] in een andere functie te plaatsen uit artikel 53 van de Lma volgt.

Vaststaat dat [appellant] gedurende langere tijd, in ieder geval vanaf 2019, niet de werkzaamheden heeft verricht die horen bij de functie van technisch medewerker schilderen, maar feitelijk andere werkzaamheden als hulp/helper van de elektriciens heeft uitgevoerd. [Appellant] heeft ingestemd met het verrichten van deze werkzaamheden en heeft ter zitting verklaard dat hij deze werkzaamheden nog steeds met plezier uitvoert. In die zin vormt het bestreden besluit een formalisering van een al langer bestaande feitelijke situatie. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de zorgvuldigheid waarmee [appellant] bij de overgang van de Directie Onderwijs naar DOW in 2014 is geplaatst in de functie van technisch medewerker schilderen. De functie van [appellant] bij de Directie Onderwijs was een functie met een maximale waardering in schaal 4. De functie van onderhoudsmedewerker bij de Directie Onderwijs omvatte ook veel meer dan schilderen. De uiteindelijke overplaatsing van [appellant] naar de meer geschikte functie van ondersteunend medewerker had eerder moeten plaatsvinden. Deze overplaatsing heeft geleid tot plaatsing van [appellant] in een functie met een maximale waardering in schaal 3, waarmee een bevordering naar schaal 4 op basis van het functioneren in die functie is uitgesloten. De Raad is evenals het Gerecht van oordeel dat [appellant] niet in zijn belangen is geschaad door de plaatsing in de functie van ondersteunend medewerker. Voor de Raad is daarbij ook van belang dat [appellant] al eerder en op andere gronden is bevorderd naar schaal 4 en hij bij de plaatsing in de functie van ondersteunend medewerker die schaal ook heeft behouden.

De Raad gaat voorbij aan de formele vraag of de afwijzing van het verzoek om bevordering naar schaal 5 in hoger beroep wel kan worden beoordeeld. In eerste aanleg heeft [appellant] deze zelfstandige beslissing met eigen rechtsgevolg namelijk niet bestreden. Nu de Raad de plaatsing in de functie van ondersteunend medewerker in stand laat, is duidelijk dat de maximale waardering van deze functie in schaal 3 een bevordering naar schaal 5 niet toelaat.

Conclusie

5. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.C. Bruning voorzitter, mr. A.H.M. van de Leur en

mr. M.A. Evertsz, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.C. Bruning
  • mr. A.H.M. van de Leur
  • mr. M.A. Evertsz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?