Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Verzoeker],
De Gouverneur van Aruba,
Wat ging vooraf ?
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Zaaknummer: AUA2024H00198
IN AMBTENARENZAKEN
ARUBA
op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Aruba van 10 april 2024, AUA2023H00193, in de zaak van:
wonend in Aruba,
verzoeker, hierna: [verzoeker],
en
hierna: de gouverneur,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan.
De gouverneur heeft [verzoeker] met het landsbesluit van 25 april 2023 primair met ingang van 17 februari 2023 op grond van willekeurige verbreking van het dienstverband eervol ontslag verleend. Subsidiair heeft de gouverneur [verzoeker] met ingang van 1 mei 2023 eervol ontslag verleend op grond van functionele ongeschiktheid.
Het Gerecht in ambtenarenzaken van Aruba (Gerecht) heeft met de uitspraak van 30 oktober 2023, AUA202301933, het bezwaar van [verzoeker] tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Het Gerecht heeft het ontslag met ingang van 17 februari 2023 op grond van de primaire grondslag, willekeurige verbreking van het dienstverband, in stand gelaten. De subsidiaire ontslaggrond heeft het Gerecht niet beoordeeld.
Met de uitspraak van 10 april 2024, AUA2023H00193, heeft de Raad overwogen dat eerst de subsidiaire ontslaggrond, het functionele ongeschiktheidsontslag, moet worden beoordeeld. De Raad heeft geconcludeerd dat het ongeschiktheidsontslag met ingang van 1 mei 2023 in stand kan blijven. Gelet daarop behoefde de primaire ontslaggrond, de willekeurige verbreking, geen bespreking meer. De Raad heeft de uitspraak van het Gerecht van 30 oktober 2023 met verbetering van de gronden bevestigd.
Procesverloop
Op 8 juli 2024 heeft [verzoeker] de Raad verzocht de uitspraak van 10 april 2024, AUA2023H00193, te herzien (herzieningsverzoek).
De gouverneur heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven af te zien van een mondelinge behandeling van het herzieningsverzoek.
Beoordelingskader
In de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) is een regeling van de herziening van uitspraken van de ambtenarenrechter opgenomen.
Op grond van artikel 135, eerste lid, van de La is ieder die partij was in een geding, bevoegd, binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid als in het tweede lid bedoeld is gebleken, herziening te verzoeken van een onherroepelijke of onherroepelijk geworden uitspraak. Uit het tweede lid volgt dat herziening uitsluitend kan worden verzocht op grond van enige omstandigheid die bij de behandeling van het hoger beroep aan de Raad niet bekend was en die, op zichzelf of in verband met andere feiten of omstandigheden, ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2020, ECLI:NL:ORBAACM:2020:31) is het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld om het geschil waarover is beslist opnieuw aan de Raad voor te leggen. Evenmin strekt herziening ertoe om een partij in de gelegenheid te stellen argumenten of stukken naar voren te brengen die al eerder zijn aangevoerd of aangevoerd hadden kunnen worden.
Gelet op het hiervoor geschetste kader dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van enige omstandigheid die de Raad bij de behandeling van het hoger beroep niet bekend waren of bekend hadden kunnen zijn.
Verzoeker] stelt in zijn herzieningsverzoek dat er omstandigheden zijn op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de uitspraak van de Raad. [Verzoeker] noemt, samengevat weergegeven, daarvoor de volgende omstandigheden:
-de Raad heeft de uitspraak van het Gerecht bevestigd terwijl de Raad een andere ontslaggrond en ontslagdatum heeft beoordeeld. Daardoor is onduidelijkheid ontstaan over de ontslagdatum;
-het Gerecht heeft zich in de uitspraak van 30 oktober 2023 niet uitgelaten over het ongeschiktheidsontslag. De Raad had de zaak dan ook ter beoordeling van het ongeschiktheidsontslag aan het Gerecht moeten terugwijzen. Door dit niet te doen heeft [verzoeker] een beroepsinstantie gemist;
-bij de beoordeling van het ongeschiktheidsontslag heeft de Raad geen rekening gehouden met bepaalde aan de minister gerichte brieven;
- de Raad heeft in de uitspraak verzuimd bij zijn beoordeling over het ongeschiktheidsontslag een verbetertraject te betrekken.
Wat [verzoeker] heeft aangevoerd betreffen enerzijds inhoudelijke bezwaren tegen de uitspraak van de Raad van 10 april 2024 en de wijze waarop de Raad zijn hoger beroep heeft beoordeeld. Deze bezwaren strekken ertoe dat een hernieuwde discussie over het geschil, het ontslag, wordt gevoerd waarbij de juistheid van de uitspraak van de Raad aan de orde wordt gesteld. Zoals volgt uit 3.3 is het rechtsmiddel van herziening daarvoor niet bedoeld.
De Raad begrijpt de onduidelijkheid waarop [verzoeker] wijst echter wel. De Raad heeft immers de uitspraak van het Gerecht bevestigd terwijl de Raad het ontslag op een andere grondslag en met een andere ontslagdatum heeft beoordeeld en in stand heeft gelaten. Ook al kan deze onduidelijkheid niet tot een geslaagd herzieningsverzoek leiden, de Raad ziet hierin aanleiding te verduidelijken dat de uitspraak van 10 april 2024 aldus moet worden begrepen dat het ontslag met ingang van 1 mei 2023 de rechterlijke toets kan doorstaan.
Anderzijds heeft [verzoeker] gewezen op stukken die reeds in de eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Dit betreft evenmin nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 135 van de La.
Conclusie
4. De slotsom is dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die bij de Raad ten tijde van de uitspraak van 10 april 2024 niet bekend waren en die, op zichzelf of in samenhang bezien, ernstige twijfel doen ontstaan aan de juistheid van die uitspraak. Het verzoek om herziening komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
5. Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding.
Beslissing
De Raad van Beroep:
- wijst het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken van Aruba van 10 april 2024, AUA2023H00193, af.
Aldus gegeven door mr. B.J. van Ettekoven voorzitter, mr. M.A. Evertsz en
mr. J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.