Regeling Ambtenarenrechtspraak (RAr)
RAAD VAN BEROEP
Uitspraak
[Appellant],
de Regering van Curaçao,
Uitspraakdatum: 4 juni 2026
Zaaknummer: CUR2025H00021
IN AMBTENARENZAKEN
VAN CURAÇAO
op het hoger beroep van:
appellant (hierna: [appellant]),
gemachtigde: R.G. Balentin,
tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 9 december 2024, zaaknummer CUR202304296 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[appellant]
en
geïntimeerde (hierna: de regering),
gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.
Procesverloop
Appellant] heeft hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld op de zitting van 23 april 2026. [Appellant] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De regering heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Waar gaat de zaak over?
Deze zaak gaat over de vraag of [appellant] via de rechter kan afdwingen dat zijn ambtelijke rechtspositie met terugwerkende kracht wordt herzien. Hij meent van wel. De Regering meent van niet.
De Raad is van oordeel dat de uitspraak van het Gerecht moet worden bevestigd, waarin het bezwaar van [appellant] ongegrond is verklaard, omdat [appellant] geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die reden geven zijn rechtspositie opnieuw te beoordelen. De Raad legt dit oordeel hieronder uit.
De achtergrond van de zaak
Appellant], geboren in 1947 en sedert 2007 met pensioen, heeft een lange ambtelijke carrière doorlopen bij de politie. Hij heeft 18 jaar gewerkt bij het Landelijke Politie Opleidingsinstituut en is daar per 19 oktober 1981 aangesteld als Chef Civiele Dienst en nadien als Chef Horeca.
Bij Landsbesluit van 25 april 2003 is de salariëring van [appellant] vastgesteld op schaal 9, trede 11, per 1 januari 2003. Dit is nadien gewijzigd in schaal 9, trede 9, per 1 januari 2002 en schaal 9, trede 13, per 1 januari 2004.
Op 9 mei 2007 heeft de raad van ministers een beslissing genomen over de rechtspositie van [appellant].
Bij Landsbesluit van 22 november 2007 is [appellant] bevorderd tot de rang van hoofdcommies, in vaste pensioengerechtigde dienst, waarbij zijn bezoldiging is bepaald op schaal 10, trede 6, per 1 september 2003, trede 7 per 1 januari 2005, trede 8 per 1 januari 2006, en trede 9 per 1 januari 2007.
Appellant] heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
Op 10 december 2007 is door de vakbond (ABOP) bij de toenmalige minister van justitie aandacht gevraagd voor de rechtspositie van [appellant]. Daarbij is erop gewezen dat zijn bevordering ten onrechte is ingegaan op 1 september 2003 in plaats van 1 september 2000.
Omdat geen antwoord is ontvangen, is op zowel 19 februari 2008 als 7 mei 2008 door de vakbond namens [appellant] een rappel gezonden.
Het verzoek van [appellant]
Op 19 maart 2022 verzoekt [appellant] de minister van justitie schriftelijk om herziening van zijn rechtspositie met terugwerkende kracht tot 1 december 1999. [appellant] geeft daarbij aan recht te hebben op de rang van hoofdcommies, de functie van Chef Horeca bij het Landelijke Politie Opleidingsinstituut met een bezoldiging conform schaal 10 (trede 2) per die datum, of in ieder geval per 1 september 2000.
Bij Landsbesluit van 16 januari 2023 is het verzoek van [appellant] door de Regering afgewezen, omdat zijn claim is verjaard. Daarbij is erop gewezen dat [appellant] sinds 8 mei 2008 niets meer van zich heeft laten horen.
De uitspraak van het Gerecht waartegen het hoger beroep zich richt
Met de uitspraak van 9 december 2024 heeft het Gerecht het bezwaar van [appellant] tegen het Landsbesluit van 16 januari 2023 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Gerecht overwogen dat het Landsbesluit van 22 november 2007 formele rechtskracht heeft en in rechte onaantastbaar is geworden. Omdat [appellant] geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, was de Regering niet gehouden om het verzoek van [appellant] inhoudelijk te beoordelen. Zijn bezwaar is daarom door het Gerecht ongegrond verklaard.
Het hoger beroep
Appellant] voert in hoger beroep aan, zo begrijpt de Raad, dat met het besluit van 22 november 2007 geen juiste uitvoering is gegeven aan de beslissing van de ministerraad van 9 mei 2007. Hij stelt dat toen zou zijn besloten zijn rechtspositie recht te trekken en dat hij recht zou hebben op een bezoldiging in schaal 10 (trede 2) per 1 september 2000. [Appellant] voert aan dat aan die beslissing ten onrechte nimmer uitvoering is gegeven. De landsbesluiten van 22 november 2007 en 16 januari 2023 zijn volgens hem in strijd met de beslissing van de ministerraad. Hij verlangt dat hem alsnog recht wordt gedaan.
Hij vindt het oneerlijk dat een collega ambtenaar, in een identieke rechtspositie als hijzelf, wel per 1 september 2000 is bevorderd naar schaal 10 en hij niet.
Wat oordeelt de Raad van Beroep?
7. De Raad heeft begrip voor het standpunt van [appellant], maar kan hem geen gelijk geven. De Raad legt dat hierna uit.
Het juridische kader
Als de termijn voor bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een beschikking ongebruikt is verstreken of als het gebruik van de rechtsmiddelen van bezwaar of (hoger) beroep niet heeft geleid tot herroeping of vernietiging van die beschikking, dan staat die beschikking in rechte vast. De discussie daarover is dan in beginsel gesloten.
Als het bestuursorgaan vervolgens een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van die beschikking ontvangt, heeft het bestuursorgaan een keuze. De eerste optie is dat het bestuursorgaan die aanvraag of dat verzoek inhoudelijk behandelt en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang heroverweegt. Een bestuursorgaan is daartoe in het algemeen bevoegd, maar niet verplicht.
De tweede optie is dat het bestuursorgaan die aanvraag of dat verzoek zonder nader onderzoek afwijst, indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld. Het bestuursorgaan hoeft dan bij de afwijzing van het verzoek in beginsel alleen te verwijzen naar de eerdere beschikking en te motiveren dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beschikking hebben plaatsgevonden, of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór de eerdere beschikking hebben plaatsgevonden, maar niet vóór die beschikking konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van de eerdere beschikking konden worden overgelegd.
Als naar het oordeel van de bestuursrechter het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt stelt dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing op die grond in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat de beschikking op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een eerdere beschikking evident onredelijk is.
Een beschikking is in ieder geval evident onredelijk als het onmiskenbaar onjuist is en dit al uit een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling blijkt.
Wat betekent dit voor het verzoek van [appellant]?
Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld moet het verzoek van [appellant] van 19 maart 2022 worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op eerdere landsbesluiten waarin zijn rechtspositie is vastgesteld.
Met het Landsbesluit van 22 november 2007 is de rechtspositie van [appellant] voor het laatst vastgesteld. Hij heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat het besluit formele rechtskracht heeft verkregen en in rechte onaantastbaar is geworden.
Het landsbesluit van 16 januari 2023 houdt een weigering in om terug te komen van het Landsbesluit van 22 november 2007 omdat relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden niet zijn gesteld en de claim van [appellant] is verjaard.
Met het Gerecht is de Raad van oordeel dat zodanige nieuwe feiten of veranderde omstandigheden - ten opzichte van de situatie waarin [appellant] destijds (2007) heeft berust – niet naar voren zijn gekomen. [Appellant] heeft feiten en omstandigheden herhaald, die destijds ook al bekend waren. De Regering was dan ook niet gehouden inhoudelijk in te gaan op het verzoek van [appellant].
De bestreden beschikking is naar het oordeel van de Raad niet evident onredelijk. De situatie dat reeds na een oppervlakkige beoordeling moet worden geconcludeerd dat de beschikking onmiskenbaar onjuist is, doet zich niet voor. Daarbij betrekt de Raad dat de hiervoor benodigde documenten niet beschikbaar zijn gesteld door [appellant], mede als gevolg van het feit dat hij van mei 2008 tot maart 2022 geen actie heeft ondernomen.
De Raad komt daarom tot het oordeel dat het Gerecht het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van de Regering om het verzoek tot herziening van zijn rechtspositie met terugwerkende kracht tot 1 december 1999 of 1 september 2000 niet te honoreren, terecht ongegrond heeft verklaard. Om dezelfde redenen slaagt het hoger beroep niet.
Beslissing
De Raad van Beroep:
- bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gewezen door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. M.A. Evertsz, en mr. P. Klik, leden, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. M.F.G. Maes, griffier.