Conclusie P .- G. Jhr. Mr. van Asch van Wijck.
Post alia:
Het eerste onderdeel van het middel wil - als ik goed zie - bestrijden dat het Hof, de plicht van verd. tot geheimhouding afleidende uit haar zich verplichten tot volstrekte geheimhouding jegens haar werkgeefster ten aanzien van al hetgeen haar in haar betrekking bekend zou worden op het gebied waarop de Stichting zich beweegt in de ruimste zin des woords, uit het ter terechtzitting geblekene heeft kunnen afleiden dat het dus door haar geopenbaarde haar bekend was geworden op bedoeld gebied. Het wil mij echter voorkomen dat, nu de Rubberstichting zich met de in de verklaring van de getuige R. vermelde reclamecampagne voor schuimrubber op de daar vermelde wijze inliet, het Hof kon aannemen dat die campagne kwam te liggen op het gebied waarop de stichting zich bewoog in de ruimste zin des woords.
Het tweede - en belangrijkste - onderdeel van het middel stelt dat het Hof aan de strekking van art. 272 Sr. een te ruime uitleg heeft gegeven.
In zijn appèlmemorie voert de O. v. J. aan, dat Noyon-Langemeijer (6e druk p. 288) als basis van de geheimhoudingsplicht binnen het kader van art. 272 noemt: de uitgedrukte wil van hem die de toegang tot ambt of beroep geopend heeft (zijn beroep mede op een andere uitlating daar ziet over het hoofd dat die uitlating was een door Prof. Langemeijer bestreden opvatting van Mr. Noyon). De O. v. J. vervolgt dan in zijn appèlmemorie: „Deze bescherming zal in de praktijk stellig niet kunnen worden gemist. Een advocaat b.v. moet de diverse werknemers op zijn kantoor daar onder begrepen de chef van zijn expeditieafdeling, kunnen binden tot elke geheimhouding, welke hij in het belang van zijn cliënten maar ook van zijn praktijk van zich zelf acht. (het tegendeel mag zeker niet worden afgeleid uit het arrest van de Bijz. Raad van Cassatie van 8 Nov. 1948 N. J. 1949, nr. 66, gewezen in een geval waar geen instructie van de advocaat-werkgever was uitgegaan en de strafbaarheid op andere wijze moest worden geconstrueerd). Van een overeenkomstig inzicht is ook de Rubber- Stichting uitgegaan, toen zij haar werknemers een verklaring tot geheimhouding liet tekenen. Zij beveiligde aldus haar geheimen en al was zij niet een onderneming van handel of nijverheid, zij mocht dat doen voorzover zij ex art. 272 Sr. bevoegd was om aard en omvang te bepalen van het beroep van degenen, die in haar sfeer een beroep hadden aanvaard. Het gaat niet aan om door systematische wetsuitlegging aan art. 272 een door art. 273 beperkte uitleg te geven, welke het ad hoc opleggen van geheimhoudingsplicht zou uitsluiten, voorzover dat niet op art. 273 Sr. kan steunen. De ondernemingen van handel en nijverheid zouden dan worden beschermd boven publieke lichamen of semi-publieke organen zoals de Rubberstichting enz., hetgeen niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest. Bij art. 273 valt eerder te denken aan een extra bescherming, welke zich ook kan uitstrekken tot werkzaamheden ad hoc, waarvoor men niet of nog niet kan spreken van een „beroep" of b.v. door derden voor een onderneming verricht, met als voorbeeld Noyon-Langemeijer II blz. 63) de ambachtsman die geroepen wordt in een fabriek een herstelling te doen".
Het gelijk is m.i. aan de Rb. De m. v. t. (Smidt, 2e dr. deel II p. 425) vermeldde „De verplichting tot geheimhouding spruit in art. 291" (thans 272) „voort uit de wet of den aard van de werkkring waarin men geplaatst is en geldt gelijkelijk voor allen, die hetzelfde ambt of beroep uitoefenen; art. 292" (thans 273) „onderstelt een overeenkomst en geldt alleen voor hem, die deze overeenkomst sloot".
Jhr. Mr. W. L. G. M. Bosch van Oud Amelisweerd „Zwijgplicht en Zwijgrecht, in het bijzonder van de Politie", p. 15 t/m 17, onderscheidt, m.i. terecht, het ambtsgeheim en het beroepsgeheim, bij welke laatste er sprake is van geheimen die ter kennis van de betrokkene zijn gekomen krachtens het vertrouwen dat in hem in zijn beroep is gesteld door hem die zich tot die vertrouwensman wendde en welke onbevreesde gang naar die vertrouwensman de wetgever heeft bedoeld te bevorderen. En de schrijver vervolgt dat het ambtsgeheim op andere gronden berust nl. dat de ambtenaar in zijn functie vaak tegen de wil van de betrokkene, feiten en omstandigheden achterhaalt, die voor anderen geheim gehouden worden. Zoals Mr. Stokvis het in Tijdschrift voor Strafrecht XLII p. 389 terecht opmerkt: in de noodzakelijkheid van het verlenen van vertrouwen aan beroeps-uitoefenaars in verband met de noodzakelijkheid van hun raadpleging is de verklaring gelegen dat de in wezen ethische plicht tot bewaring van geheimen rechtens zijn bevestiging en consolidering kreeg. Terecht heeft de Rb. overwogen dat het beroep van Chef van een expeditieafdeling niet een vertrouwensberoep oplevert als in art. 272 bedoeld.
In zijn hierboven geciteerde appèlmemorie ziet de O. v. J. bij zodanige opvatting een lacune in strafrechtelijke bescherming. Wat het ambtsgeheim betreft meen ik dat hij in deze onjuist oordeelt; naast de wettelijke bepalingen zal hier zeker plaats zijn voor ambtelijke instructies, die de zwijgplicht nader bepalen; zie Simons-Pompe, Strafrecht II p. 74 „deze verplichting kan steunen op een elders gesteld wettelijk voorschrift of op eene den ambtenaar gegeven instructie". Ten aanzien van personen die niet zijn ambtenaar en die ook niet werkzaam zijn of werkzaam geweest zijn bij die instellingen, die niet zijn ondernemingen van handel en nijverheid (art. 273) bestaat er evenwel ook m.i. geen strafrechtelijke repressie bij schending van geheimen, hetgeen als een leemte kan worden beschouwd. De onderhavige zaak is een voorbeeld dat een algemeen als strafwaardig gevoelde daad straffeloos blijft.
Intussen is - zoals ik reeds opmerkte - het beroep van verd. er geen als in art 272 Sr. bedoeld, zodat het arrest niet in stand zal kunnen blijven.
Uw Raad zal ten principale recht kunnen doen. Maar dan moet eerst bezien worden of niet om een andere, eerder in aanmerking komende reden het arrest niet in stand kan blijven nl. wat de betekenis is van „bepaald persoon" in het tweede lid van art. 272. Noyon-Langemeijer, 6e dr. p. 291 zegt dat hier bedoeld is een tegenstelling tussen het belang van bijzondere personen en het openbaar belang. Polenaar en Heemskerk II p. 351 en 352 in gelijke zin en zij voegen er aan toe: „Wat het woord persoon aangaat, zoo is er geen reden om de geheimen van corpora moralia, als b.v. die van een Kerkgenootschap (het besprokene in eene geheime zitting van een Kerkeraad b.v.) òf uit te sluiten van elke bescherming òf bijzonder te beschermen door de vervolging aan het O.M. ex officio op te dragen". Hiervan uitgaande is de Rubberstichting te D. een „bepaald persoon" en een strafvervolging slechts mogelijk op klacht. Van zodanige klacht blijkt noch in de processen-verbaal der terechtzitting noch in het arrest (Ik moge er bij voegen dat van een klacht in de zin van artt. 164 en 165 Sv. ook niets blijkt uit de overige stukken van het Strafrechtelijk dossier). Het O. M. moet dus niet-ontvankelijk verklaard worden in zijn vervolging.
Ik meen dat Uw Raad voldoende kan vaststellen uit de stukken waarvan hij kennis neemt, dat de Rubberstichting is een „bepaald persoon" in de zin van het tweede lid van art. 272. Mocht hiervoor een nadere vaststelling door de rechter die over de feiten oordeelt, nodig worden geacht, dan zal verwijzing nodig zijn.
Ik heb de eer te concluderen tot vernietiging van het arrest, behoudens de vernietiging daarin van het vonnis van de Rb., en tot niet-ontvankelijk verklaring van de O. v. J. in zijn vervolging.