B.
No. 59290.
Zitting 1 april 1958.
Mr. van Oosten.
conclusie inzake:
[requirante] .
Edele Hoog Achtbare Heren,
Het zij mij toegestaan de voorgedragen middelen te behandelen in de volgorde, waarin zij zijn voorgesteld en van die volgorde slechts dan af te wijken, wanneer enige dier middelen dermate verknocht zijn, dat een meer geconcentreerde bespreking daarvan gewenst schijnt.
Middel I, klaagt, dat het Hof, terwijl zekere [getuige 1] voorkwam op de in appel overgelegde lijst, als bedoeld in art. 282 Sv., niet overeenkomstig dit wetsvoorschrift heeft bevolen, dat laatstgenoemde tegen een door het Hof nader te bepalen tijdstip zou worden gedagvaard of opgeroepen, waartoe het Hof gehouden was, omdat requirante niet had toegestemd in het afzien van het verhoor van genoemde [getuige 1] .
Dit middel mist m.i. feitelijke grondslag, doordien het daarin gestelde processuele feit, dat deze [getuige 1] op de evenbedoelde lijst voorkwam, niet wordt bewezen door het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting. Ik vind daarin de dezen opzichte wel vermeld, dat de Griffier de getuigen-lijst heeft voorgelezen, doch niet, welke getuigen daarop voorkwamen.
Middel II., behelzende de grief, dat het Hof ten onrechte heeft beraadslaagd op de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting in prima (ten onrechte: omdat dit onderzoek nietig zou zijn) zal m.i. evenmin tot cassatie kunnen leiden, vermits dit uitgaat van de m.i. onjuiste opvatting, dat art. 363 Sv. een voorschrift is, dat betrekking heeft op het onderzoek van de zaak ter terechtzitting. Dit artikel betreft de behandeling der zaak in een later stadium van het strafproces: dat van de beraadslaging en uitspraak.
De opmerking aan het slot van middel II, dat niet blijkt van naleving van art. 363, lid 2, Sv., zou m. i. reeds hierom niet tot cassatie aanleiding kunnen geven, aangezien - zelfs ondersteld, dat in prima niet gehandeld ware overeenkomstig laatstbedoeld voorschrift en aangenomen, dat dit verzuim nietigheid van het in eerste aanleg gewezen vonnis ten gevolge zou hebben - die nietigheid niet tot in cassatie kan doorwerken, vermits het Hof dit vonnis vernietigd heeft.
Middel III. behelst de klacht, dat het Hof ten onrechte de inleidende dagvaarding geldig heeft geacht. De dagvaarding geeft niet aan - zo wordt betoogd - , welk uitlokkingshandelingen aan ieder der beide verdachten wordt verweten en laat hen erover in het onzekere, welke gedraging aan iedere afzonderlijke verdachte wordt verweten. Behalve onduidelijk, zou de dagvaarding ook innerlijk tegenstrijdig zijn, nu ten laste is gelegd, dat requirante en haar medeverdachte [medeverdachte] te zamen en in vereniging het principale feit (de gestelde moord op [slachtoffer] ) te zamen en in vereniging, althans ieder afzonderlijk, hebben uitgelokt, "doordat" - zo wordt in de cassatieschriftuur de telastelegging ten deze weergegeven - "zij tezamen, althans één hunner gelden hebben (heeft) toegezegd, resp. een revolver ter hand gesteld".
De weergave van de telastegelegde uitlokking is m.i. niet geheel juist. Aan requirant en genoemde [medeverdachte] werd deelneming aan de moord op [slachtoffer] primair aldus verweten, dat zij dit feit "tezamen en in vereniging, althans ieder afzonderlijk in of omstreeks de maand augustus 1956, althans in of omstreeks de zomer van 1956 te [plaats] en/of elders in het arrondissement [plaats] door beloften of een belofte en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk hebben (heeft) uitgelokt, hetwelk hierin bestond, dat zij verdachten of een hunner opzettelijk aan genoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] een geldsbedrag van f. 20.000, - althans enig geldsbedrag hebben (heeft) beloofd of toegezegd voor het geval zij of een hunner genoemde [slachtoffer] van het leven zou(den) beroven, alsmede dat zij verdachten of een hunner opzettelijk een door hen of een hunner met dat doen, namelijk om genoemde [slachtoffer] daarmede te doden -, gekochte revolver met patronen aan genoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ter hand hebben (heeft) gesteld en voor wat verdachte [medeverdachte] betreft, dat hij opzettelijk de huissleutel van voormelde woning van [slachtoffer] aan genoemde [betrokkene 2] heeft gegeven althans genoemde [betrokkene 2] opzettelijk gelegenheid heeft gegeven die huissleutel tot zich te nemen door hem opzettelijk een cigarettendoosje, waarin zich die sleutel bevond, voor te houden, zodat genoemde [betrokkene 2] die sleutel kon pakken en zulks ook heeft gedaan".
In het algemeen wordt, dunkt mij, aan een dagvaarding als deze niet de eis gesteld, dat zij, met name als het medeplegen wordt ten laste gelegd, elke bijdrage opgeeft, die iedere deelnemer in het totstandgebrachte feit heeft geleverd. Art. 261 Sv. verzet zich m.i. niet tegen een meer globale samenvatting van het geheel der gedragingen, welke het medeplegen constitueren. De in middel III, onderdeel a, ontwikkelde grief acht ik dus niet steekhoudend.
M.i. heeft de steller der dagvaarding het woord "hetwelk", dat een meer in bijzonderheden tredende omschrijving van de telastegelegde uitlokking inleidt, betrokken en willen laten slaan op de eerder in de telastelegging genoemde "beloften of een belofte en/of ..... het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen" en beheerst de voorop gestelde tijd en plaats der uitlokking, zomede de opgave, dat beiden, requirante en [medeverdachte] "tezamen en in vereniging, althans ieder afzonderlijk" hebben gehandeld, het gedeelte, dat volgt na het woord "hetwelk" en eindigt met de woorden "ter hand hebben (heeft) gesteld". Deze lezing lijkt mij verenigbaar met de bewoordingen en de strekking der telastelegging, waarin, als zij aldus gelezen wordt, de door "hetwelk" verbonden delen niet tegenstrijdig behoeven te zijn en de tot tweemaal toe daarin voorkomende woorden "of een hunner" als een alternatief kan worden opgevat ten opzichte van het "tezamen en in vereniging, althans ieder afzonderlijk", dat herhaald mag worden geacht achter het woord "hetwelk". Ik merk overigens op, dat in feitelijke aanleg de telastelegging alleszins duidelijk en begrijpelijk geacht moet zijn. In het tegenovergestelde geval zou, dunkt mij, een beroep gedaan zijn op de nietigheid der dagvaarding. Uit de desbetreffende stukken blijkt daarvan niet. Ik meen derhalve, dat onderdeel b van het derde middel geen doel treft.
Middel IV tast de bewezenverklaring aan.
Ten laste van requirante en meergenoemde [medeverdachte] is bewezen geacht, dat " [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 25 augustus 1956 te [plaats] tezamen en in vereniging ter uitvoering van hun na kalm beraad en rustig overleg tevoren genomen besluit en beraamd plan om opzettelijk [slachtoffer] , echtgenoot van verdachte [requirante] van het leven te beroven, de aldaar aan de [b-straat 1] gelegen woning van die [slachtoffer] zijn binnengegaan, alwaar genoemde [betrokkene 2] opzettelijk genoemde [slachtoffer] meermalen met kracht met een gummistok op het hoofd heeft geslagen en genoemde [betrokkene 1] vervolgens opzettelijk uit een met meerdere scherpe patronen geladen revolver van dichtbij vijf kogels op genoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd en hem daarbij met vier kogels op verschillende plaatsen in diens lichaam heeft getroffen, tengevolge waarvan genoemde [slachtoffer] zodanige inwendige verwondingen heeft bekomen, dat hij ongeveer zeven uren daarna is overleden, welk feit zij, verdachten, tezamen en in vereniging in de maand augustus 1956 te [plaats] en elders in het arrondissement [plaats] door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk hebben uitgelokt, hetwelk hierin bestond, dat zij verdachten opzettelijk aan genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een geldsbedrag van f. 20.000,- hebben beloofd voor het geval zij of een hunner genoemde [slachtoffer] van het leven zouden beroven, alsmede dat een van hen verdachten opzettelijk een door een van hen verdachten met dat doel - namelijk om genoemde [slachtoffer] daarmede te doden - gekochte revolver met patronen aan genoemde [betrokkene 1] ter hand heeft gesteld, zijnde misdrijf, voorzien en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht".
Requirante doet aanvoeren, dat het bewezen verklaarde medeplegen van moord (door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) en de bewezenverklaarde uitlokking daarvan door een belofte van geld voor het geval beiden ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) of een van hen een moord zou plegen, tegenstrijdig is, omdat uitlokking tot het medeplegen van moord door het beloven van geld alleen kan worden bewezen verklaard, "als tevens wordt bewezen verklaard, dat deze toezegging is geschied, voor het geval zij tezamen de moord zouden plegen".
Ik zie niet in, waarom iemand het medeplegen van moord door A en B niet zou kunnen uitlokken, als in rechte zou komen vast te staan, dat A en B gezamenlijk de moord zouden hebben gepleegd, daartoe bewogen door de belofte, dat zij A en B, geld zouden ontvangen, als een hunner, die dan ook, de moord zou begaan. Deze grief, zoals ik dezelve meen te verstaan kan ik niet voor doeltreffend houden.
De tweede grief, welke het vierde middel tot uitdrukking brengt is deze, dat het bewezene, dat requirante tezamen met [medeverdachte] door het verschaffen van middelen ( het ter hand stellen van een revolver met patronen) strijdig is met bewezene, dat één van beiden de revolver aan [betrokkene 1] heeft ter hand gesteld.
Het bewezene, dat requirante en [medeverdachte] "tezamen en in vereniging ...... door het verschaffen van middelen opzettelijk te hebben uitgelokt, hetwelk hierin bestond, dat .... een van hen, verdachten opzettelijk een. .. .. . revolver met patronen aan .... [betrokkene 1] ter hand heeft gesteld" behoeft m.i. geen tegenstrijdigheid te bevatten, als men de terhandstelling van de revolver met patronen als een voltooiingshandeling opvat en aanneemt, dat met "te zamen en in vereniging ...... door het verschaffen van middelen opzettelijk hebben uitgelokt" tot uitdrukking brengt, dat requirante en [medeverdachte] gezamenlijk en rechtstreeks het feit der uitlokking hebben gepleegd. Naar ik meen valt uit H.R. 17 mei 1943, N.J. 1943, no. 576, af te leiden dat in een dergelijk geval in het midden gelaten kan worden, wie de voltooiingshandeling heeft verricht. Aldus beschouwd zou de bewezenverklaring niet innerlijk tegenstrijdig zijn.
Middel VI, onderdeel 4, stelt, dat uit geen der bewijsmiddelen blijkt, dat tussen requirante en [medeverdachte] de afspraak is gemaakt, dat deze de revolver aan [betrokkene 1] ter hand zou stellen M. I. kan uit de bewezen nauwe samenwerking tussen requirante en [medeverdachte] betreffende het aanschaffen van de revolver en het overhandigen waarvan door requirante aan [medeverdachte] korte tijd voordat de moord begaan werd, worden afgeleid, dat ook de overhandiging van de revolver met patronen door [medeverdachte] aan [betrokkene 1] een uitvloeisel was van en berustte op de zich eerder gemanifesteerd hebbende samenwerking tussen requirante en [medeverdachte] , welke gericht was op het uit de weg ruimen van [slachtoffer] .
Gaat men met middel VI, onderdeel 6, uit van het feit, dat de revolver met patronen eenmaal is overhandigd, dan rijst de vraag, of [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door deze verschaffing van de revolver wel zijn bewogen tot het begaan van het principale feit. Vanwege requirante wordt zulks betwist: uit de bewijsmiddelen vloeit voort, zo wordt betoogd, dat, terwijl die verschaffing van de revolver op 18 augustus in 1956 is geschied, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tot hun daad pas op 19 augustus 1956 zijn bewogen, nl. door de toezegging van requirante aan laatstgenoemden, dat zij voor de moord geld zouden krijgen.
In tweede aanleg was van dit punt een verweer gemaakt, hetwelk het Hof heeft weerlegd, door te overwegen, dat "zoals uit de bewijsmiddelen naar 's Hofs oordeel duidelijk naar voren komt, de eigenlijke daad van het ter hand stellen van de revolver en de hierbedoelde bevestiging door verdachte [requirante] slechts schakels zijn in een onverbreekbare keten van besprekingen, beraadslagingen, afspraken, en toezeggingen, welke dan ook in nauw verband met elkaar moeten worden bezien en waarbij het uit de weg ruimen van [slachtoffer] - aanvankelijk langs andere weg, doch daarna uitsluitend door het doodschieten met een revolver - steeds op de voorgrond heeft gestaan en waarbij verdachte [medeverdachte] , blijkens de bewijsmiddelen al veel eerder dan de negentiende augustus 1956 over geld in verband met het uit de weg ruimen van [slachtoffer] begonnen zijnde en geld toegezegd hebbende, zowel wat de revolver, als wat de f. 20.000,- betreft, een belangrijke, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in sterke mate moverende rol heeft gespeeld; dat dan ook uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] door de door [medeverdachte] gedane belofte en het hun verschaffen van de revolver met patronen reeds vóór het onderhoud in café [B] tot het plan gekomen waren, [slachtoffer] door middel van die revolver om het leven te brengen en daartoe reeds in beginsel besloten waren, doch het begrijpelijk is, dat zij, - zeer wel beseffende dat het geld niet van [medeverdachte] , doch van [requirante] moest komen - uit de mond van deze laatste de uitdrukkelijke bevestiging wilden vernemen dat zij, verdachten, ieder f.20.000,- zouden krijgen als de moord deer op haar man doorging".
Ik houd deze overweging voor afdoend en meen, dat de thans behandeld wordende grief, daarin ook haar weerlegging vindt.
Middel V. verwijt het Hof, nagelaten te hebben een keuze te doen tussen het alternatief in de bewezenverklaring, dat requirante en [medeverdachte] geld hebben toegezegd voor het geval [betrokkene 1] en [betrokkene 2] of een hunner [slachtoffer] van het leven zouden beroven. Het wil mij voorkomen, dat de Appèlrechter niet tot deze keuze verplicht was, nu dit alternatief geen invloed heeft op de strafbaarheid of de qualificatie.
Middel VI, onderdeel 1. Bewezen is verklaard, zo luidt dit onderdeel, dat requirante "en [medeverdachte] tezamen geld hebben toegezegd". Naar ik meen, kan men zeggen, dat de bewezenverklaring inderdaad hierop neerkomt. Gesteld wordt, dat dit bewezene, het gezamenlijk beloven van geld, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, noch ook, dat [medeverdachte] ten opzichte van die belofte enige feitelijke daad heeft gesteld en evenmin, dat requirante en [medeverdachte] gezamenlijk het plan hebben beraamd om deze belofte te doen.
Het Hof kon m.i. uit de gebezigde bewijsmiddelen zeer wel afleiden, dat requirante te zamen en in vereniging een geldelijke toezegging hadden gedaan en dat [medeverdachte] in verband daarmede een "feitelijke daad" had gesteld.
[betrokkene 1] verklaarde o.a .: dat [medeverdachte] hem, [betrokkene 1] , in de periode 24 juni 1956 - eind juli 1956 had medegedeeld, dat hij, [betrokkene 1] en een ander, f. 20.000 zouden krijgen voor het van kant maken van [slachtoffer] ; dat, omdat [betrokkene 2] uit de mond van requirant zelf wilde vernemen, dat hij, [betrokkene 1] , en [betrokkene 2] na de moord ieder f. 20.000 zouden ontvangen, met requirante is afgesproken, dat zij, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , op 19 augustus 1956 zouden ontmoeten; dat requirante op zondag 19 augustus 1956, in het café van [B] aan de [a-straat] te [plaats] , op de vraag van [betrokkene 2] , hoe het zat met die f. 20.000, had geantwoord, dat zij, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , na de moord ieder f. 20.000 zouden ontvangen; dat hij toen besloten was de moord op [slachtoffer] met [betrokkene 2] samen te plegen; dat het hem om het geld ging en dat hij erop vertrouwde, dat hij, [betrokkene 1] , en [betrokkene 2] dat zouden krijgen.
[betrokkene 2] verklaarde o.m .: dat [betrokkene 1] hem had verteld, dat hij, [betrokkene 1] , met [medeverdachte] [slachtoffer] van kant zou maken en dat zij daar ieder f.20.000 voor zouden krijgen; dat hij, [betrokkene 2] , dan [betrokkene 1] had gezegd, dat hij wel mee wilde doen; dat hij op 19 augustus 1956 in het café van [B] aan requirante had gevraagd, of zij, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , ieder f. 20.000 zouden krijgen als de moord op [slachtoffer] doorging; dat requirante zulks bevestigd heeft; dat hij toen besloten was om samen met [betrokkene 1] de moord op [slachtoffer] te plegen en erop vertrouwde het geld, waar het hem ook om te doen was, te zullen krijgen.
Requirante gaf o.m. op: "Nadat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] mij hadden gevraagd een afspraak te maken om mij te spreken, ben ik op zondagmorgen 19 augustus 1956 met hen in een café bij de [a-straat] te [plaats] gegaan. [medeverdachte] had mij gezegd dat hij hun ieder f. 20.000, had beloofd als zij mijn man zouden van kant maken en ik moest dat voor hem bevestigen. Ik heb toen de belofte van voormeld bedrag aan hen bevestigd".
Op deze bewijsmiddelen, waarvan ik de inhoud zakelijk weergaf, kon de gewraakte bewezenverklaring m.i. zeer zeker berusten. Mede kon uit deze verklaringen m.i. worden afgeleid, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn uitgelokt door de door requirante en [medeverdachte] gezamenlijk gedane beloften. Requirante en [medeverdachte] werkten ten nauwste samen met het oog op het uit de weg ruimen van [slachtoffer] . Dit blijkt uit de door de bewijsmiddelen gestaafde aankoop van de revolver te Luik. Hieruit kon m.i. worden afgeleid, dat ook de door [medeverdachte] aan [betrokkene 1] gedane belofte en de bevestigende herhaling daarvan door requirante jegens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ingevolge overleg en samenwerking tussen requirante en [medeverdachte] geschied moet zijn. Het in het zevende onderdeel van Middel VI ontwikkelde bezwaar moge hiermede tevens weerlegd zijn.
Middel VI, onderdeel 2, mist m.i. feitelijke grondslag, naardien dit ervan uitgaat, dat uit de door het Hof voor het bewijs gebruikte verklaringen van de getuigen [betrokkene 1] en [getuige 3] duidelijk blijkt, dat de meerbedoelde toezegging "alleen is gedaan voor het geval beiden "( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) "de moord zouden plegen". Ik vermag zulks uit evenbedoelde verklaringen niet af te leiden. [betrokkene 2] verklaarde, dat hij op 19 augustus 1956 aan requirante had gevraagd of zij, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , "wanneer de moord op haar"(requirantes) "man doorging, ieder f. 20.000, - zouden krijgen", waarop, aldus [betrokkene 2] , requirante dat bevestigde. Deze verklaring wijst er m.i. veeleer op, dat requirante bepaaldelijk niet heeft gestipuleerd, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] beiden de moord zouden moeten volvoeren, wilden zij de toegezegde beloning ontvangen.
Middel VI, onderdeel 3, mist m.i. feitelijke grondslag, vermits niet is bewezen verklaard, dat, requirante te zamen met [medeverdachte] "in het geheel" f. 20.000 heeft beloofd.
Middel VI, onderdeel 5, houdt in, dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, waar en wanneer [medeverdachte] zijnerzijds geld zou hebben toegezegd.
Al zijn, naar het Hof m.i. mocht aannemen, de toezeggingen van geld, door [medeverdachte] gedaan, wel relevant geweest met betrekking tot het tot standkomen van het feit der uitlokking, deze uitlokking werd een voldongen feit door de doorslaggevende toezegging van requirante aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 19 augustus 1956. Het wil mij voorkomen, dat de plaats en tijd, waarop dit - voor de uitlokking - cardinale moment plaats vond, mede bepalend mag en mocht worden geacht voor de door [medeverdachte] gedane beloften, welke overigens, naar uit de opgaven van [betrokkene 1] kan worden afgeleid, zijn geschied in de periode van 24 juni tot eind juli 1956.
Dat, - zoals in middel VI, onderdeel 8, wordt aangevoerd - niet uit de bewijsmiddelen zou blijken, dat [betrokkene 2] het slachtoffer [slachtoffer] op het hoofd heeft geslagen, lijkt mij een bewering, die m.i. weerlegd wordt door de verklaring van [betrokkene 2] , dat hij [slachtoffer] met een gummistok heeft geslagen, en door de verklaring van de deskundige J. L.H.A. Hollman, inhoudende de o.m., dat hij bij het openen van de schedelhuid een onderhuidse bloeduitstorting rechts in de slaapstreek en in de rechterslaapspier zelf had aangetroffen en voorts een bloeduitstorting in de hals bij de onderkant, welke laesies, naar hij, Hollman, mogelijk achtte, door harde slagen waren veroorzaakt.
Middel VI brengt in onderdeel 9 de samenstelling van het bewijs van het principale feit, de moord op [slachtoffer] , ter sprake. Het Hof verklaarde met zoveel woorden bewezen, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] deze daad te zamen en in vereniging hebben bedreven "ter uitvoering van hun na kam beraad en rustig overleg tevoren genomen besluit en beraamd plan om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven." Het bewijs van deze voorbedachte raad kon m.i. alleszins geput worden uit de als bewijsmiddelen gebezigde getuigenissen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , met name uit: 1) hun opgave, dat zij, na op 19 augustus 1956 van requirante vernomen te hebben, dat zij ieder f. 20.000 zouden krijgen, als de moord op haar man doorging, besloten waren om gezamenlijk de moord op [slachtoffer] te plegen; 2) de opgave van [betrokkene 2] , dat hij in de avond van de 19de augustus 1956 met [betrokkene 1] had besproken, dat de moord op 23 augustus 1956 zou moeten gebeuren;
3) de verklaring van [betrokkene 1] , dat hij in de avond van 19 augustus 1956 in het plantsoen te [plaats] aan [medeverdachte] had medegedeeld, dat hij, [betrokkene 1] , en [betrokkene 2] "de moord samen zouden plegen".
In de avond van 23 augustus 1956 zijn [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar het huis van [slachtoffer] gegaan, naar zij ter terechtzitting van de Rechtbank verklaarden. "Het was ons plan [slachtoffer] te doden", verklaarde [betrokkene 2] aldaar. Ook uit het overige van de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] blijkt niet, dat hij ná de 19de augustus 1956 zijn afgeweken van hun plan om [slachtoffer] te doden. Het Hof kon dus m.i. geredelijk uit de getuigenissen van laatstgenoemden afleiden, dat beiden op 25 augustus 1956, toen [slachtoffer] gedood werd, hierbij hebben gehandeld ingevolge hun daartoe genomen besluit en beraamd plan.
Als bewijsmiddelen bezigde de Rechtbank bovendien een tweetal processen-verbaal van verhoor door de Rechter-Commissaris, resp. van 29 augustus 1956 en van 30 augustus 1956, zakelijk weergegeven inhoudende:
(verklaring van [betrokkene 1] :) "dat hij in de avond van 19 augustus 1956 met [betrokkene 2] heeft afgesproken, dat [betrokkene 2] [slachtoffer] met een knuppel bewusteloos zoude slaan, waarna zij [slachtoffer] van zijn geld zouden beroven, hetwelk zich volgens [medeverdachte] overdag in [slachtoffer] colbertjas en des nachts onder zijn hoofdkussen bevond en dat, als dit bewusteloos slaan zoude mislukken, er door hem [betrokkene 1] moest worden geschoten, daar [slachtoffer] hem kende en hem anders als dader zoude kunnen noemen".
(verklaring van [betrokkene 2] : ) "dat hij met [betrokkene 1] had afgesproken, dat [slachtoffer] met een knuppel bewusteloos moest worden geslagen, hetgeen door hem [betrokkene 2] zoude geschieden omdat [slachtoffer] hem niet kende, waarna wij, van [medeverdachte] wetens en door de vrouw [slachtoffer] bevestigd, dat hij steeds heel veel geld in huis had hem zouden bestelen, dat echter, indien dit zoude mislukken, [betrokkene 1] [slachtoffer] met de revolver zoude doodschieten, waarna hij van de vrouw [slachtoffer] ieder zijn f. 20.000,- zoude krijgen".
In verband met de weerlegging van een door de raadsman van [medeverdachte] in appèl opgeworpen verweer overweegt het Hof: "dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , ter terechtzitting van het Hof als getuigen gehoord, hebben verklaard dat zij, toen zij op 25 augustus 1956 het Huis van [slachtoffer] binnendrongen, van plan waren veranderd en op dat ogenblik nog uitsluitend beoogden [slachtoffer] bewusteloos te slaan, teneinde hem van zijn geld te beroven en het plan om hem bij mislukking daarvan dood te schieten hadden laten varen, doch het Hof aan deze, zozeer met het op de trap in de woning van [slachtoffer] door [betrokkene 1] in de rechterhand houden van de revolver - vide zijn hierboven weergegeven verklaring ter terechtzitting van het Hof - en evenzeer met hunne eerder, in het bijzonder aan de Rechter- Commissaris afgelegde, onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen in strijd zijnde beweringen geen geloof vermag te hechten en deze dan ook voor zijne beslissing omtrent het aan verdachten [requirante] en [medeverdachte] te laste gelegde, verder buiten beschouwing kan laten; dat het Hof, in het verband van evenbedoelde, door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de Rechter-Commissaris afgelegde verklaringen er zich rekenschap van heeft gegeven, in hoeverre deze van belang zouden kunnen zijn voor de beslissing omtrent het bewezen zijn van het ten aanzien van verdachten [requirante] en [medeverdachte] in de telastelegging primair gestelde en wel omdat twijfel zoude kunnen rijzen over de vraag, of datgene, wat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgens meerbedoelde verklaringen tenslotte ingevolge op 19 augustus 1956 tussen hen gemaakte afspraak op 25 augustus 1956 zouden hebben beoogd - en waarbij zij zich van de oorspronkelijke opzet min of meer zouden hebben gedistantieerd, en datgene wat zij toen hebben uitgevoerd, wel overeenstemt met hetgeen bij verdachten [requirante] en [medeverdachte] bij hun uitlokking heeft voorgezeten; dat het Hof de hierbedoelde, laatste afspraak tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet opvat als een opgeven, doch veeleer als een voortzetten van het eerder met verdachten [requirante] en [medeverdachte] beraamde pan, in dier voege, dat uitsluitend dàn van het doodschieten van [slachtoffer] zou worden afgezien, indien het zou gelukken op andere wijze (namelijk door bewusteloos slaan) een grote som geld machtig te worden".
Het Hof heeft dus kennelijk de hier bedoelde, door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de Rechter-Commissaris afgelegde verklaringen niet strijdig geacht met de overige bewijsmiddelen, waaruit kon worden afgeleid, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in dezen hebben gehandeld ter uitvoering van hun besluit en plan om [slachtoffer] te doden. Deze door het Hof gegeven uitlegging van evenbedoelde verklaringen lijkt mij in cassatie onaantastbaar en alleszins verenigbaar met derzelver inhoud en strekking. Het Hof mocht dus m.i. de processen-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] overnemen uit het vonnis van de Rechtbank en met de inhoud der overige bewijsmiddelen mee laten werken tot het bewijs van het voormelde besluit en plan om [slachtoffer] te doden.
Voor zover nu het negende onderdeel van middel VI aanvoert, dat uit de meerbedoelde, door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de Rechter-Commissaris afgelegde, verklaringen alleen volgt "de gezamenlijkheid van het plan om te beroven", dat voorts uit de bewijsmiddelen van een gezamenlijke uitvoering van de moord niet blijkt, dat tenslotte de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ter terechtzitting van [betrokkene 4] afgelegde getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn met de inhoud van de opgemelde processen-verbaal van de Rechter-Commissaris, is dit onderdeel m.i. niet gegrond, als berustende op een uitleg van de desbetreffende verklaringen en processtukken, welke m.i. niet als juist kan worden aanvaard, waarbij ik - voorzoveel nodig - nog moge opmerken, dat het door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gegeven relaas van de uitvoering van de moord wijst op een dermate nauwe samenwerking daarbij, dat m.i. reeds daarom gesproken zou mogen worden van een gezamenlijke uitvoering van de moord.
Middel VI, onderdeel 9, laatste zinsnede, hangt ten nauwste samen met onderdeel 10 van dit middel en komt hierop neer, dat de moord niet is uitgevoerd overeenkomstig het plan (nl. om gezamenlijk [slachtoffer] te doden), "waartoe hij volgens de bewezenverklaring waren uitgelokt", maar ter uitvoering van een ander pak plan, te weten het in de avond van 19 augustus 1956 gezamenlijk opgevatte plan dat [betrokkene 2] [slachtoffer] zou slaan, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vervolgens [slachtoffer] van diens geld zouden beroven en dat, als zulks zou mislukken, [betrokkene 1] alleen [slachtoffer] zou doden, Dit onderdeel vindt m.i. zijn weerlegging in hetgeen ik eerder heb betoogd, nl. dat, gelijk het Hof terecht heeft geoordeeld, het "andere" plan (zoals requirante dit doet noemen) geen ander plan, doch een volharding is bij het plan, waartoe van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren uitgelokt. Ook deze grief treft dus m.i. geen doel.
Middel VII. Zelfs al zou het verweer, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet uitgelokt zijn door de aan de gezamenlijke toezegging van het geld door requirante en [medeverdachte] voorafgegane terhandstelling van een revolver, strijdig zijn met het als bewezen aangenomene, dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bewogen zijn door die gezamenlijke toezegging, dan zou het Hof daardoor m.i. geenszins de als geschonden en/of verkeerd toegepaste aangehaalde wetsartikelen hebben geschonden, resp. verkeerd toegepast, waar het hier een ander verweer betreft dan de verweren, genoemd in art. 358, lid 3, Sv. De weerlegging van bedoeld verweer was m.i. strikt genomen overbodig, immers niet door de wet vereist. Daarom zou de weerlegging daarvan - gesteld al dat zij tegenstrijdig ware met de bewezenverklaring - de op dit punt genomen beslissing niet kunnen aantasten. Ik meen dus ook dit onderdeel voor ongegrond te moeten houden.
Middel VIII mist feitelijke grondslag. Uit de aanhef van het vonnis der Rechtbank blijkt, dat de Rechtbank en, op haar voetspoor, het Hof, als bewijsmiddelen hebben gebezigd de meergemelde processen-verbaal van de Rechter-Commissaris van resp. 29 en 30 augustus 1956.
Middel IX. zal m.i. niet tot cassatie kunnen leiden, nu de rechter niet gebonden is aan de vermelding aan de inhoud der bewijsmiddelen in het proces-verbaal der terechtzitting, noch wanneer hij beraadslaagt en beslist over het al dan niet bewezen zijn van het litigieuze feit, noch wanneer hij een ander verweer weerlegt dan dat, bedoeld in art. 358, lid 3 Sv ..
Middel X klaagt, dat het Hof, beslissende omtrent de oplegging van straf en maatregel, bij de wet bepaald, "overwegingen heeft ontleend aan de inhoud van een psychiatrisch rapport, welke inhoud in het betreffende rapport niet wordt gevonden." Aangezien de Hoge Raad niet kennisneemt van een rapport als hierbedoeld en de inhoud daarvan dus niet kan toetsen aan de inhoud, zoals het Hof die vastgesteld en in dit verband gebezigd heeft, faalt m.i. dit middel.
Middel XI wordt m.i. eveneens vruchteloos voorgesteld, naardien het Hof, gewagende van de door de deskundigen (Dr. Berden en Dr. Van de Loo) te zijner terechtzitting gegeven "uitvoerige mondelinge toelichtingen", kennelijk onder de "uitvoerige", door Dr. van de Loo gegeven mondelinge toelichting mede heeft verstaan de inhoud van het door dezen uitgebrachte rapport, waarbij hij, Dr. van de Loo, - naar uit het proces-verbaal van 's Hofs zitting blijkt - geheel heeft volhard.
Middel XII: de beslissing omtrent de opgelegde straf en maatregel zou niet naar de eis der wet met redenen omkleed zijn, omdat voor de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf jaren aan een ernstig gestoorde vrouw als requirante, wier toerekeningsvatbaarheid op 50% moet worden geschat, de in aanmerking genomen ernst van het feit niet voldoende redengevend kan zijn. Wanneer men bedenkt, dat aan requirante levenslange gevangenisstraf had kunnen worden opgelegd, dat haar geestvermogens hoewel gebrekkig ontwikkeld niet ziekelijk gestoord waren (althans de ziekelijkheid der storing van haar geestvermogens is blijkbaar niet door de deskundigen, die omtrent haar gerapporteerd hebben, en kennelijk ook niet door het Hof aangenomen) , voorts , dat Dr. Berden van oordeel was, dat hij het kopen van de bewuste revolver en bij het bevestigen van de toezegging van geld haar vrije wil niet afwezig was, dan was - het Hof heeft kennelijk al deze momenten ook als redengevend beschouwd - de opgelegde straf m.i. alleszins gerechtvaardigd en gewettigd. Ik merk terloops op, dat men uit de getuigenis van [getuige 2] zou kunnen afleiden, dat requirante zozeer bekwaam was om met betrekking tot het van kant maken van haar echtgenoot haar wil te bepalen, dienovereenkomstig te handelen en de gevolgen daarvan te overzien, dat zij zich zelfs - bij de tussen haar, [betrokkene 1] en [getuige 2] in de zomer van 1956 gevoerde besprekingen over het doden van [slachtoffer] - zich gerealiseerd heeft, dat daartoe beraamde plan zou kunnen mislukken en dat [betrokkene 1] en [getuige 2] in dit geval een hier niet nader te noemen advocaat uit Maastricht, "zouden krijgen".
Middel XIII stelt terecht, dat de door het Hof gegeven qualificatie onjuist is. Deze zal m.i. aldus dienen te luiden: "medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van moord." Van samenloop van strafbare feiten, bepaaldelijk van strafbare uitlokkingen is hier m.i. geen sprake. Wel doet zich hier m.i. een samenloop voor van beloften en het verschaffen van middelen maar dit is evenmin een samenloop van strafbare feiten als wanneer iemand b. v. zowel door het aannemen van een valse hoedanigheid, als door een listige kunstgreep gecombineerd met een samenweefsel van verdichtselen een ander oplicht. Ook in dit geval is slechts één oplichting gepleegd. Waar afgezien van middel XIII geen der voorgestelde middelen m.i. zal kunnen slagen, concludeer ik, dat Uw Raad het cassatieberoep zal verwerpen, s' Hofs beslissing ten aanzien van de qualificatie zal vernietigen en in zoverre opnieuw rechtdoende, aan het feit de rechtskundige benaming zal geven van het "medeplegen van het door beloften en door het verschaffen van middelen opzettelijk uitlokken van het medeplegen van moord".
Middel XIV faalt, omdat het voorschrift van art. 354 Sv. geen dwingend karakter draagt (cf. H.R. 24 april 1933, N.J. 1933, p. 1124).
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,