S.
No.63791.
Zitting 7 februari 1967.
Mr. s'Jacob.
Conclusie inzake:
[verdachte].
Edelhoogachtbare Heren,
Ten laste van rekwirant heeft het Hof, het vonnis van de Rechter in het Gerecht in Eerste Aanleg vernietigend, bewezenverklaard:
"1. dat hij, beklaagde, op of omstreeks de 27ste januari 1965 op het eiland Curacao, als kandidaat-notaris, door de daartoe bevoegde autoriteit, aangewezen om, ten tijde hiervoren vermeld, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris], notaris ter standplaats Curacao, opzettelijk van na te melden vervalst geschrift, als ware het echt en onvervalst, gebruik heeft gemaakt, terwijl uit dat gebruik nadeel kon ontstaan, hebbende hij, beklaagde, alstoen aldaar opzettelijk daartoe van een onderhandse akte, ---geregistreerd op Curacao op 10 juni 1963, onder nummer 3147, ten kantore van de Landsontvanger ter plaatse voormeld, en welke akte is vastgehecht aan een akte van koop en verkoop met transport, d.d. 29 mei 1963, verleden door en/of ten overstaan van hem, beklaagde, en waarvan voorts een fotocopie aan "de" dagvaarding is gevoegd en hiervan deel uitmaakt (gemerkt rood I) --- bestemd om, o.m. te dienen tot bewijs van het feit, dat de daarin vermelde ondergetekenden, met betrekking tot de gemeenschappen van goederen in huwelijk bestaan hebbende tussen de echtelieden,
1. [betrokkene 1] en [betrokkene 2];
2. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en
3. [betrokkene 1] en [betrokkene 4],
en de nalatenschappen dezer echtelieden, een, in gemelde onderhandse akte, onder de in die akte vermelde artikelen 1 t/m 6 breder omschreven, overeenkomst hebben gesloten, en waaruit enige verbintenis tussen de in bedoelde onderhandse akte genoemde partijen kon ontstaan,
gebruik gemaakt door, in een, door en/of ten overstaan van hem, beklaagde, in hogervermelde hoedanigheid, verleden en ondertekend, akte, gedagtekend 27 januari 1965, betreffende een scheiding en deling van een onroerend goed zoals in evenbedoelde akte nader aangeduid, tussen [betrokkene 5], [betrokkene 6] en Mr. [advocaat], advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondeling lasthebber van [betrokkene 7], te refereren aan vakerbedoelde onderhandse akte, door hierin letterlijk op te nemen, althans te laten opnemen, als volgt:
De comparanten verklaarden bij deze akte te willen overgaan tot de scheiding en deling van het navolgend onroerend goed, te weten:
Het stuk grond, groot eenhonderd hectare (100 ha), gelegen op Cas Abao, in het derde district van Curacao, nader omschreven in meetbrief de dato vijf april negentienhonderd drieenzestig nummer 139, welk stuk grond - ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig en welke akte is vastgehecht aan een akte van verkoop en koop met transport op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig voor mij, waarnemend Notaris verleden - is toebedeeld aan de Heer [betrokkene 5] voor twee/derde (2/3) gedeelte en aan de Heer [betrokkene 6] voor een/derde (1/3) gedeelte, bij akte op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig verleden voor mij Waarnemend-Notaris van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op Curacao op negentien juni negentienhonderd drieenzestig in Register […], zulks terwijl hij, beklaagde, wist, dat op het moment van vorenomschreven gebruik van die onderhandse akte, de op die onderhandse akte voorkomende dagtekening t. w. "augustus 1962" vervalst was, immers onbevoegdelijk veranderd was van "november 1962" in "augustus 1962", uit welk gebruik nadeel kon ontstaan.
3. dat hij, beklaagde, op of omstreeks de 27ste januari 1965, op het eiland Curacao, als kandidaat-notaris, door de daartoe bevoegde autoriteit, alstoen aangewezen om, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris], notaris ter standplaats Curacao, opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, het hierna te melden geschrift, met het oogmerk om dat geschrift -- waarvan een fotocopie aan de dagvaarding is gehecht en hiervan deel uitmaakt, gemerkt rood II -- te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan, hebbende hij, beklaagde, alstoen aldaar opzettelijk daartoe in bedoeld geschrift, zijnde een, door en/of ten overstaan van hem, beklaagde, in hogervermelde hoedanigheid verleden en ondertekende, akte, d.d. 27 januari 1965, geregistreerd op Curacao op 11 februari 1965, onder nummer 742, ten kantore van de Landsontvanger ter plaatse voormeld, welke akte, o.m. bestemd is om te dienen tot bewijs van een overeenkomst tot scheiding en deling, gesloten, m. b.t. een onroerend goed in die akte nader omschreven, tussen
[betrokkene 5], [betrokkene 6] en Mr. [advocaat], advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondelinge lasthebber van [betrokkene 7],
en waaruit enig recht en enige bevrijding van schuld kon ontstaan tussen de hiervoren genoemde partijen, letterlijk opgenomen:
De comparanten verklaarden bij deze akte te willen overgaan tot de scheiding en deling van het navolgend onroerend goed, te weten: Het stuk grond, groot eenhonderd hectare (100 ha) , gelegen op Cas Abao, in het derde district van Curacao, nader omschreven in meetbrief de dato vijf april negentienhonderd drieenzestig, nummer 139, welk stuk grond - ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig en welke akte is vastgehecht aan een akte van verkoop en koop met transport op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig voor mij, Waarnemend-Notaris verleden - is toebedeeld aan de Heer [betrokkene 5] voor twee/derde (2/3) gedeelte en aan de Heer [betrokkene 6] voor een/derde (1/3) gedeelte, bij akte op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig verleden voor mij Waarnemend-Notaris van welke akte een afschrift is overgeschreven ten hypotheekkantore op Curacao op negentien juni negentienhonderd drieenzestig in Register […].
zulks terwijl hij, beklaagde, wist, dat, op het moment dat hij zijn ministerie verleende en die notariële akte opmaakte met voormelde, door hem, beklaagde, in hogergenoemde hoedanigheid gestelde, ambtelijke verklaring in die akte, de dagtekening van de door hem in die notariële akte bedoelde en nader aangeduide, onderhandse akte - waarvan een fotocopie aan de dagvaarding is gehecht en daarvan deel uitmaakt, gemerkt rood I, - zoals door hem opgenomen in die notariële akte, t.w. "augustus negentienhonderd tweeenzestig", vervalst was, zijnde immers die dagtekening veranderd van "november 1962" in "augustus 1962"".
Te dier zake is hij wegens "valsheid in geschrifte gepleegd in authentieke akte" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van negen maanden met aftrek van voorarrest en met bevel tot gevangenhouding van rekwirant in het Huis van Bewaring op Curacao.
De bewezenverklaring heeft het Hof doen steunen op de navolgende bewijsmiddelen:
A. de verklaring van rekwirant ter terechtzitting in hoger beroep:
Op 27 januari 1965, heb ik op het eiland Curacao, als candidaat-notaris, door de daartoe bevoegde autoriteit; aangewezen om, ten tijde hiervoren vermeld, het ambt waar te nemen van Mr. [notaris], notaris ter standplaats Curacao, die tot en met 15 maart 1965 is opgetreden in een andere functie, opzettelijk in een door en ten overstaan van mij, in hogervermelde hoedanigheid, verleden en ondertekende akte gedagtekend 27 januari 1965 betreffende een scheiding en deling van een onroerend goed, in bedoelde akte nader aangeduid, tussen [betrokkene 5], [betrokkene 6] en Mr. [advocaat], advocaat, handelende in zijn hoedanigheid van mondelinge lasthebber van [betrokkene 7], verwezen naar een onderhandse akte, gedateerd augustus 1962.
Ik heb in die voormelde notariële akte van 27 januari 1965 gerefereerd aan vakerbedoelde onderhandse akte en deze akte geïncorporeerd in voormelde notariële akte door daarin letterlijk op te nemen als op bladzijde 2 van de dagvaarding in het mij sub 1 telastegelegde breder is omschreven.
U toont mij een onderhandse akte, waarvan een fotocopie gemerkt rood I aan de inleidende dagvaarding is gehecht, waarvan mij bekend is dat de datum veranderd is en welke in het mij bij dagvaarding sub 1 telastegelegde wordt bedoeld.
U toont mij eveneens een notariële akte dd. 27 januari 1965 waarvan een fotocopie gemerkt rood II aan de inleidende dagvaarding is gehecht, welke in het mij bij dagvaarding sub 3 telastegelegde wordt bedoeld.
Ik herken beide akten als die hiervoor bedoeld in mijn verklaring. Ik was reeds voor 27 januari 1965 op de hoogte van het feit, dat de datum van de onderhandse akte onbevoegdelijk was veranderd in dier voege dat instede van "November 1962", daarin "augustus 1962" was aangebracht.
Ik heb mij bij het verlijden en passeren van de notariële akte dd. 27 januari 1965 zeer goed gerealiseerd dat het hier ging op de boedelscheiding van de familie [betrokkene 1], waarin complicaties waren opgetreden in verband met de echtscheiding van een der deelgerechtigden.
Ik besefte toen, dat ik de akte dd. 27 januari 1965 juist in verband met die voorgeschiedenis nodig achtte.
De notariële akte van 27 januari 1965 werd voorafgegaan door een onderhandse akte van augustus 1964, waarin dezelfde partijen overeenkwamen de tussen haar bestaande onverdeeldheid te scheiden en te delen als in die akte vermeld.
Die onverdeeldheid was een voortvloeisel uit de eerdere scheiding en deling van de boedel [betrokkene 1], als in eerste instantie in de onderhandse akte, valselijk gedateerd augustus 1962, vastgelegd".
B. het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, voorzover inhoudende:
1e. als verklaring van rekwirant: "dat hij het feit sub 1), zoals in de dagvaarding omschreven, erkent; dat hij wist dat de akte vervalst was namelijk dat de oorspronkelijke datum "november 1962" was veranderd in "augustus 1962";
dat hij het feit sub 3), zoals in de dagvaarding omschreven, volkomen erkent";
2e. als verklaring van de getuige [betrokkene 5]: "In de maand november 1962 moesten de boedelgerechtigden op het kantoor van de notaris komen om een akte te tekenen. Bij deze gelegenheid waren bijna al de boedelgerechtigden aanwezig met uitzondering van [betrokkene 8] en [betrokkene 9]. De vrouw van [betrokkene 9] was wel aanwezig en die heeft ook getekend.
Ik moet uitdrukkelijk verklaren dat er in augustus 1962 nog niets afgesproken of bekend was over het bedrag van de verkoop van Cas Abao.
Toen ik in november 1962 de akte tekende, heeft de notaris mij niet gezegd dat de datum van die akte veranderd moest worden".
C. een door rekwirant aan de Rechter voor Strafzaken in het Gerecht in Eerste Aanleg gerichte en door hem ondertekende brief, voorzover weliswaar inhoudende een aantal bezwaren tegen hetgeen vermeld staat in het hierboven onder B. genoemde proces-verbaal der terechtzitting, doch geen bezwaren tegen de in dat proces-verbaal vermelde door rekwirant afgelegde bekentenissen van het hem sub 1 en 3 bij de inleidende dagvaarding telastegelegde en door het Hof bewezenverklaarde.
D. een proces-verbaal d. d. 11 maart 1966, opgemaakt door de Rechter-Commissaris, voorzover inhoudende als verklaring van rekwirant: "Ik zie hier voor mij de minuut van een notariële akte voor mij als wnd. notaris verleden op 29 mei 1963. Zij relateert een verkoop-transactie tussen de erven [betrokkene 1] en de Stichting Avanti betreffende een deel van de plantage Cas Abao. Aan die notariële akte verbonden is een onderhandse akte welke is gedateerd augustus 1962. Nu weet ik uit eigen waarneming dat op die onderhandse akte tevoren als datering heeft gestaan: november 1962.
Het is trouwens op de akte heel goed te zien, dat het woord augustus er op getypt is met een ander lint dan de woorden van de akte zelf.
Ik herinner mij dat ik op de hoogte was van de datum-wijziging in de onderhandse akte hierboven bedoeld toen voor mij werd verleden een akte van scheiding en deling op 27 januari 1965, in welke akte met zoveel woorden naar de meergenoemde onderhandse akte wordt verwezen en waarin wordt gesteld dat die akte op Curacao in de maand augustus 1962 was getekend.
In zoverre erken ik dat ik op 27 januari 1965 in de op die dag verleden notariële akte vermeld heb dat er in verband met deze akte een onderhandse akte bestond, getekend op Curacao in de maand augustus 1962, terwijl ik wist dat die akte eerst later, in november 1962 in elk geval niet in augustus was getekend.
Volgens mij heb ik voor het eerst de wijziging in de onderhandse akte hierboven vermeld geconstateerd op of kort vóór 27 januari 1965.
Het staat mij nog bij dat ik daar niet erg van onder de indruk was".
E. de vaststelling door het Hof door eigen waarneming ter terechtzitting, dat de inhoud van:
I. de onderhandse akte met betrekking tot de scheiding en deling van de boedel [betrokkene 1], zoals nader in de dagvaarding omschreven en waarvan een fotocopie gemerkt rood II aan die dagvaarding is gehecht;
II. de authentieke akte op 27 januari 1965 ten overstaan van rekwirant als waarnemend notaris verleden, zoals nader in de dagvaarding omschreven en waarvan een fotocopie gemerkt rood II aan de dagvaarding is gehecht;
volledig overeenstemt met de inhoud van die fotocopieën, dewelke aan het 's Hofs vonnis zijn gehecht en als daarin ingevoegd moeten worden beschouwd.
F. het landsbesluit van de 16e juli 1964 No. 1 A.S. No. 7141, voorzover zakelijk inhoudende, dat de Gouverneur van de Nederlandse Antillen met ingang van 1 augustus 1964 tot en met de laatste dag van het optreden van notaris Mr. [notaris] als waarnemend Gouverneur rekwirant aanwijst om diens ambt van notaris waar te nemen.
Het zijdens rekwirant gedaan beroep op het feit, dat de beschikking tot rechtsingang en verwijzing nietig zou zijn en de daarop gebaseerde dagvaarding eveneens nietig, althans de Officier van Justitie niet-ontvankelijk, heeft het Hof verworpen op grond van de volgende overwegingen:
"dat de raadsman van beklaagde bij pleidooi als exceptief verweer heeft opgeworpen, dat de beschikking tot rechtsingang en verwijzing nietig is en dat de daarop gebaseerde dagvaarding eveneens nietig is althans dat de Officier van Justitie niet ontvankelijk verklaard dient te worden;
dat beklaagde dit verweer baseert op twee gronden;
dat beklaagde's eerste grond - het ontbreken van een proces- verbaal van verhoor - zich richt tegen de verwijzing naar de terechtzitting, welke volgens het bepaalde in artikel 75 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen terzake van een misdrijf op straffe van nietigheid in geen geval kan plaatsvinden, zolang de verdachte niet door de Rechter-Commissaris is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen;
dat de rechtsingang tegen beklaagde met verwijzing van de zaak naar de terechtzitting door de Officier van Justitie is gevorderd ingevolge het bepaalde in artikel 131 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, zulks na door de beklaagde gedaan verzet tegen de oorspronkelijk rauwelijks tegen hem uitgebrachte dagvaarding;
dat laatstgenoemde artikel bepaalt, dat de Officier van Justitie die vordering doet "na desnoods de beklaagde door de Rechter- Commissaris te hebben doen horen";
dat die noodzaak zich ten deze niet voordeed, nu beklaagde over de feiten terzake waarvan verwijzing naar de terechtzitting werd gevorderd reeds bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de Rechter-Commissaris was gehoord, van welk verhoor proces-verbaal is opgemaakt en welk proces-verbaal hierna vermeld sub 3 ter terechtzitting aan de beklaagde is voorgehouden;
dat beklaagde niettemin nogmaals is gehoord en wel door de Rechter, die de beschikking tot het verlenen van rechtsingang met verwijzing verleende, hetgeen blijkt uit genoemde beschikking; dat het feit dat van laatstgenoemd verhoor geen proces-verbaal is opgemaakt, geen nietigheid met zich meebrengt, nu nóch het houden van een dergelijk verhoor, nóch het opmaken van een proces-verbaal van een desondanks toch gehouden verhoor vereist is;
dat beklaagde's tweede grond - het niet vermelden van de vordering van de Officier van Justitie en de artikelen van de algemene verordening, waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld - zich richt tegen het niet voldoen van de beschikking tot rechtsingang en verwijzing aan enkele van de formele vereisten van artikel 82 en 83 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen;
dat zulks echter geen nietige rechtsingang en geen daarop gegronde nietige dagvaarding of niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie ten gevolge heeft;
dat immers, blijkens de wetshistorie van de artikelen 92 en 93 van het vóór 1925 in Nederland gegolden hebbende Wetboek van Strafvordering, welke artikelen voor de onderhavige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen model gestaan hebben en gelijkluidend van inhoud zijn, de wettelijke nietigheid uit het oorspronkelijke regeringsontwerp is geschrapt;
dat zich ten deze ook geen substantiële nietigheid voordoet, als door beklaagde betoogd, aangezien geen belang van proces-rechtelijke aard ten aanzien van beklaagde geschaad is, met name noch zijn positie in het vooronderzoek is verzwaard, noch zijn verdediging in het algemeen geschaad is, door het niet vermelden van de vordering van de Officier van Justitie en de toepasselijke artikelen van de algemene verordening, nu zowel de feiten terzake waarvan rechtsingang werd verleend, als de gronden waarop die beslissing rustte, in de onderhavige beschikking zijn uitgedrukt;
derhalve dat beklaagde's beroep op nietigheid van de dagvaarding, althans niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie als ongegrond moet worden verworpen".
Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof nog overwogen:
"dat de beklaagde weliswaar ter terechtzitting van het Hof op zijn verklaringen bij de Rechter-Commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg op 25 mei 1966 is teruggekomen, doch dat nu dit niet op aannemelijke gronden is geschied, het Hof hem aan zijn oorspronkelijke verklaringen zal dienen te houden;
dat daartoe te meer reden is daar de beklaagde een maand na de terechtzitting van 25 mei 1966, t.w. in zijn hierboven onder 2 vermelde brief wel bezwaren formuleerde tegen het vermelde in het audientieblad van die zitting, doch daarbij geenszins ontkende, dat hij te dier terechtzitting de daarin vermelde bekentenissen had gedaan" .
Namens rekwirant zijn door een advocaat bij Uw Raad, die heeft verklaard daartoe door rekwirant bepaaldelijk te zijn gemachtigd, XII cassatiemiddelen aangevoerd bij schriftuur en ter zitting van Uw Raad mondeling toegelicht. Deze middelen, welke ten dele weer in onderdelen zijn gesplitst, bevatten 22 klachten. Vijftien van deze klachten betreffen vormverzuimen, terwijl de overige zeven klachten, hetzij met zoveel woorden, hetzij in wezen, de strafbaarheid van het bewezenverklaarde aantasten. Het komt mij
voor, dat deze laatste grieven de voorrang verdienen, omdat, zou bij de beoordeling daarvan blijken, dat het bewezenverklaarde niet oplevert een strafbaar feit, een verwijzing wegens vormverzuim geen zin meer zou hebben.
Middel VIII betoogt dan in twee onderdelen, dat het onder 1) aan rekwirant telastegelegde en te zijnen laste bewezenverklaarde niet zou opleveren een strafbaar feit, omdat "in de feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde" niet is vermeld en/of weergegeven a) dat, in hoeverre en/of in welk opzicht rekwirant van de ten processe bedoelde onderhandse akte als ware zij echt en onvervalst heeft gebruik gemaakt, en b) dat, in hoeverre en in welk opzicht enig opzet van rekwirant bij het gebruik maken van de onderhandse akte was gericht op de omstandigheid, dat de akte vervalst was.
Het komt mij voor, dat de geachte pleiter voor rekwirant hier uitgaat van een opvatting omtrent de eisen, te stellen aan een telastelegging, welke, zoals de onderhavige, aanvangt met een meer kwalifikatief gedeelte, waarna een feitelijk gedeelte volgt, welke door Uw Raad is verlaten, en de omstandigheid, dat op de Nederlandse Antillen een strafproces geldt, dat hier te lande gold, toen Uw Raad zich nog op het standpunt stelde, dat, wanneer een telastelegging aanvangt met een kwalifikatief gedeelte, in de daarna volgende feitelijke omschrijving alle elementen van het telastegelegde feit, welke in het kwalifikatieve gedeelte zijn vermeld, moeten worden herhaald, ook indien deze in hun kwalifikatieve vorm tevens een feitelijke betekenis hebben, lijkt mij geen voldoende grond om daar, waar het in feitelijke instantie op de Nederlandse Antillen berechte zaken betreft, tot de verlaten leer terug te keren. Nu in de aanvang van het onder 1) telastegelegde en bewezenverklaarde is vermeld, dat rekwirant van de vervalste onderhandse akte opzettelijk had gebruik gemaakt als ware zij echt en onvervalst behoefden deze elementen in de feitelijke omschrijving niet te worden herhaald. Trouwens, wat het opzet-element betreft: voldoende lijkt in dit opzicht de vermelding aan het slot van de bewezenverklaring, dat rekwirant wist, dat de onderhandse akte vervalst was. Middel VIII zal derhalve in zijn beide onderdelen moeten falen.
Middel X betoogt in drie onderdelen, dat het ten laste van rekwirant onder 3) bewezenverklaarde niet zou opleveren een strafbaar feit.
De onderdelen 1) en 2) zullen moeten afstuiten op dezelfde argumenten, welke hierboven tegen de onderdelen 1) en 2) van middel VIII aangevoerd. De elementen, welke volgens deze onderdelen in de "feitelijk bedoelde omschrijving van het telastegelegde" ontbreken, te weten de omstandigheid, dat rekwirant het vervalste geschrift gebruikte als was het echt en onvervalst en de mogelijkheid van nadeel - twee termen, die naast een kwalifikatieve ook een feitelijke betekenis hebben , komen in het eerste, kwalifikatieve, gedeelte van de bewezenverklaring sub 3) voor. Het niet herhalen daarvan in de daarna volgende feitelijke omschrijving kon de telastelegging niet vitiëren.
Onderdeel 3) van Middel X betoogt, dat de dagtekening van de onderhandse akte, wanneer zij vervalst zou zijn, die akte en ook de authentieke akte, waarin zij werd opgenomen, niet tot een vervalste akte maken, nu de dagtekening niet een integrerend deel van die akte vormt. De dagtekening van een geschrift als bedoeld in artikel 230 Sr. N.A. (225 W.v.Sr.) vormt een integrerend deel, een essentiale van dat geschrift; dit blijkt dunkt mij uit het feit, dat een dergelijk geschrift, wanneer het geen datum draagt, voor hem, die het wil gebruiken, onbruikbaar zal blijken te zijn.
Ook Middel X zal derhalve rekwirant niet kunnen baten.
Middel XI betoogt in de tweede zinsnede van onderdeel 1) dat "de enkele omstandigheid, dat de dagtekening veranderd is van november in augustus 1962 niet inhoudt en/of met zich brengt een valsheid of vervalsing van de onderhandse akte". Ook hier kan de, hierboven bij onderdeel 3) van Middel X, bestreden stelling, welke ook hier de grondslag van het middel vormt, niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 2) van Middel XI betoogt, dat met betrekking tot het ten laste van rekwirant onder 3) bewezenverklaarde van een valselijk opmaken door rekwirant van het ten processe bedoelde geschrift, zijnde dit een notariële akte waarin werd gerelateerd hetgeen de aldaar genoemde comparanten verklaarden, niet gesproken kan worden nu rekwirant niet anders heeft opgenomen dan de comparanten hem verklaarden, terwijl niet blijkt en/of is vastgesteld, dat rekwirant onjuist heeft weergegeven hetgeen comparanten hem verklaarden en in elk geval juist was hetgeen comparanten omtrent de in de onderhandse akte voorkomende dagtekening.
Het middel mist feitelijke grondslag. In de laatste alinea van het ten laste van rekwirant onder 3) bewezenverklaarde wordt gesproken van "die notariële akte ..... met voormelde, door hem, beklaagde, in hogergenoemde hoedanigheid gestelde, ambtelijke verklaring in die akte". Daarmede is kennelijk bedoeld het in de voorlaatste alinea van die telastelegging tussen gedachtenstrepen geplaatste gedeelte" - ter uitvoering van een overeenkomst van scheiding en deling, waarvan blijkt uit een onderhandse akte, getekend op Curacao in de maand augustus negentienhonderd tweeenzestig en welke akte is vastgehecht aan een akte van verkoop en koop met transport op negenentwintig mei negentienhonderd drieenzestig voor mij, Waarnemend-Notaris verleden-" ... Hier is duidelijk geen sprake van een opnemen door de notaris van hetgeen de comparanten hem verklaarden. De notaris onderbreekt hier even het betoog van comparanten voor een tussenvoeging van een feit, dat hem uit eigen wetenschap bekend is. Hier is derhalve - hoe men verder moge denken over de mogelijkheid van valsheid in geschifte ingeval van het opnemen door een ambtenaar in een authentieke akte van hem door comparanten medegedeelde feiten, waarvan hem de onjuistheid bekend is - wel degelijk sprake van het valselijk opmaken van het geschrift, nu rekwirant van de onwaarheid van hetgeen hij zelf aan de opgaven van comparanten toevoegde op de hoogte was.
Wanneer ik dan thans mag komen tot een bespreking van de overige cassatiemiddelen, dienen allereerst te worden bezien de middelen I, II en III, waarin herhaald wordt het in feitelijke instantie gevoerd "exceptief verweer", waarvan het Hof in zijn vonnis melding maakt en dat door het Hof met de hierboven weergegeven overwegingen werd verworpen. De geachte pleiter voor rekwirant heeft hier in zijn pleidooi een vergelijking getrokken tussen de regeling van de derde Titel van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en de regeling van de artikelen 250 e.v. van het Nederlandse Wetboek van Strafvordering. Deze vergelijking komt mij niet juist voor. De artikelen 250 e.v. Sv. bevatten een regeling voor een uitzonderlijk geval, terwijl Titel III Sv. N.A. de normale gang van zaken regelt. Wil men hier een vergelijking met het Nederlandse strafprocesrecht trekken dan zal men daarbij, ook wat het Nederlandse recht betreft, de normale gang van zaken in ogenschouw moeten nemen.
Wat het eerste middel betreft: het voorschrift van art. 75, lid 2, Sv. N.A. is ontleend aan art. 85, lid 2, Sv. oud. Dit laatste voorschrift werd in het wetboek overgenomen uit het ontwerp 1863, waarin het voorschrift was opgenomen ingevolge het advies van de Raad van State, welk advies als volgt werd gemotiveerd: "Wil men met de afschaffing van het bestaande stelsel van verpligte instructie voor de zwaarste misdrijven niet gelijk aan den beklaagde alle waarborgen, welke aan dat stelsel verbonden zijn, tegen ligtvaardige teregtstelling ontnemen, waar hij het meest belang heeft die te voorkomen, dan moet nimmer de dadelijke teregtstelling van den beklaagde kunnen bevolen worden, zonder dat hem vooraf de gelegenheid gegeven zij om zijne verontschuldiging tegen de ingebragte klagten in te brengen" (de Pinto, Het herziene Wetboek van Strafvordering, I p. 352/3). Hieruit blijkt dunkt mij, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de beklaagde in de gelegenheid te stellen om, alvorens zijn zaak naar de terechtzitting werd verwezen, door een onafhankelijke rechter te worden gehoord omtrent het hem verweten misdrijf en niet in het bijzonder omtrent de verwijzing van zijn zaak naar de terechtzitting. Is hij derhalve tevoren reeds door de rechter-commissaris gehoord, dan is een nader verhoor met het oog op de komende verwijzing naar de terechtzitting niet nodig. Het Hof heeft in zijn vonnis vastgesteld, dat rekwirant reeds bij het inwinnen van voorlopige informatiën door de rechter- commissaris was gehoord en het proces-verbaal van dat verhoor ter terechtzitting aan rekwirant is voorgehouden en de inhoud daarvan door het Hof als bewijsmiddel is gebezigd. Onder deze omstandigheden was er voor een nader verhoor door de rechter-commissaris met het oog op de verwijzing naar de terechtzitting geen grond aanwezig. Het eerste middel zal derhalve niet tot cassatie kunnen leiden.
De ter 's Hofs terechtzitting gevoerde verweren, welke in de middelen II en III worden herhaald, heeft het Hof terecht verworpen met de overweging, dat het hier geen vormen betreft, welke op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, noch ook sprake is van vormen van zo fundamentele betekenis, dat reeds uit dien hoofde bij verzuim daarvan nietigheid zou moeten volgen. Terecht ook heeft het Hof daarbij een beroep gedaan op het feit, dat in de overeenkomstige artikelen van het voor 1925 hier te lande geldende Wetboek van Strafvordering (artt. 92 en 93) bedreigde nietigheid bij verzuim van de daarin voorgeschreven vormen bij de parlementaire behandeling werd geschrapt, omdat "in dezen stand der procedure een nauwkeurige omschrijving van het feit voor den officier vaak hoogst bezwaarlijk zal zijn". Het beroep op deze wetsgeschiedenis wordt nog versterkt door het feit, dat in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, waarin toch zeker aan de rechten van de verdachte alle aandacht is geschonken, die nietigheid evenmin wordt bedreigd, en zelfs, waar het de normale gang van zaken betreft, die voorschriften ten dele zijn afgeschaft. De artikelen 59, 78 en 181 Sv. spreken slechts van een "zo nauwkeurig mogelijke omschrijving" van het feit, waarvan de verdachte wordt verdacht. Van vermelding van de vordering, die tot toepassing van die voorschriften heeft geleid wordt niet gesproken, noch ook van de vermelding van wetsartikelen.
De middelen II en III komen mij derhalve ongegrond voor.
Middel IV richt zich tegen de overweging van het Hof bij de verwerping van het beroep op het ontbreken van een verhoor van rekwirant door de rechter-commissaris vóór de verwijzing naar de terechtzitting: "dat beklaagde niettemin nogmaals is gehoord en wel door de Rechter, die de verlening van rechtsingang met verwijzing verleende, hetgeen blijkt uit genoemde beschikking". Het middel stelt, dat op de verwijzingsbeschikking ten bezware van rekwirant is achtgeslagen, hoewel dit stuk ter terechtzitting niet is voorgelezen, noch ook de korte inhoud daarvan is medegedeeld, en acht daardoor kennelijk art. 163, lid 4, Sv.N.A. geschonden. Inderdaad blijkt uit het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting niet, dat de verwijzingsbeschikking aldaar is voorgelezen of althans de korte inhoud daarvan is medegedeeld. Het gaat hier echter niet om bewijsstukken als waarop art. 163 kennelijk het oog heeft, zoals kan blijken uit het feit, dat het wetboek in art. 138, lid 2, afzonderlijk voorschrijft, dat de rechter het bevel van verwijzing, zo deze heeft plaats gehad, door de griffier doet voorlezen. Op overtreding van dit voorschrift, dat ontleend is aan art. 152 Sv. (oud) is door de wet echter geen nietigheid gesteld, noch ook lijkt hier sprake te zijn van een zo substantiële vorm, dat bij verzuim vanzelfsprekend nietigheid zou moeten volgen, aangezien de verwijzingsbeschikking de beklaagde uit de aard der zaak bekend is. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 4 oktober 1966, dat aldaar aan het voorschrift van artikel 138, lid 2, Sv. N.A. wel is voldaan.
Middel V, dat van hetzelfde uitgangspunt uitgaat als middel IV, zal derhalve het lot van laatstgenoemd middel moeten delen.
Middel VI komt mij niet gegrond voor. In eerste aanleg is de zaak behandeld op de terechtzitting van 25 mei 1966, 5 augustus 1966 en 4 oktober 1966. Ter zitting van 4 oktober 1966 heeft de rechter bevolen, dat, in verband met de gewijzigde samenstelling van het Gerecht, de zaak opnieuw zou worden behandeld. Deze gang van zaken brengt niet mede, dat aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 mei 1966 elke betekenis voor het bewijs zou zijn ontnomen, noch ook, zoals het middel stelt, dat de terechtzitting van 25 mei 1966 niet zou zijn aan te merken als een terechtzitting, waarop de zaak in eerste aanleg zou zijn behandeld. Artikel 302 Sv. N.A. noemt als bewijsmiddelen onder meer "verklaringen van de beklaagde". Art. 304 bepaalt, dat onder verklaring van de beklaagde wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend, en dat zodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, tot het bewijs kan medewerken, indien daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt. Mij dunkt, dat zodanig wettig bewijsmiddel zeer wel kan zijn het proces-verbaal van een terechtzitting, waarop de zaak werd behandeld, ook al werd op een latere terechtzitting van hetzelfde gerecht een nieuwe behandeling van de zaak bevolen.
Middel VII stelt, dat het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de telastelegging, omdat in het onder 1) telastegelegde werd gesteld, dat rekwirant van het vervalste geschrift heeft gebruik gemaakt door in een andere akte aan het vervalste geschrift te refereren en het vervalste geschrift in die andere akte te insereren, terwijl het Hof alleen het refereren en niet het insereren heeft bewezenverklaard. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. In de telastelegging werden aan rekwirant twee vormen van gebruik van het vervalste geschrift verweten, n.l. in een andere akte daaraan refereren en het in die andere akte insereren. Door een van die twee vormen van gebruik maken van het vervalste geschrift niet bewezen te verklaren heeft het Hof de grondslag van de telastelegging niet verlaten.
Middel IX voert een vijftal gronden aan, welke het Hof ertoe zouden hebben moeten brengen rekwirant van het hem onder 1) telastegelegde vrij te spreken. In de eerste plaats wordt dan betoogd, dat van refereren aan de door het Hof bedoelde onderhandse akte niet kan worden gesproken, omdat hetgeen letterlijk in de door en/of ten overstaan van rekwirant verleden en ondertekende akte is opgenomen niet zou zijn ontleend aan, althans niet, respektievelijk niet volledig en/of in dezelfde vorm of woorden voorkomt in de ten processe bedoelde onderhandse akte.
Dit betoog komt mij niet juist voor. Het Hof heeft kennelijk juist het "insereren" niet bewezenverklaard omdat de inhoud van de onderhandse akte niet in zijn geheel en niet letterlijk in de door en ten overstaan van rekwirant verleden akte was opgenomen, doch daarin alleen naar de onderhandse akte werd verwezen en van de inhoud daarvan werd melding gemaakt. De term "refereren" heeft immers - aldus tenminste het Woordenboek der Nederlandse Taal - ook de betekenis van "verwijzen naar" en "zich beroepen op".
In onderdeel 2) van Middel IX wordt gesteld, dat het refereren naar de onderhandse akte in de andere akte, zoals in de bewezenverklaring omschreven, niet oplevert het gebruik maken van de onderhandse akte in de zin van art. 230 Sr.N.A. (225 Sr. ). Ook hier kan ik het met de steller van het middel niet eens zijn. De eis, door de geachte pleiter voor rekwirant bij pleidooi naar voren gebracht, dat, wil van gebruik maken van een vervalst geschrift sprake kunnen zijn, degene die gebruik maakt over het stuk zou moeten kunnen beschikken, het bij de hand zou moeten hebben, is dunkt mij in de wet niet te lezen. Uw Raad besliste bij zijn arrest van 28 juni 1897 (w.6995) dat de wet geen enkele wijze van gebruik uitsluit. Hiervan uitgaande lijkt mij het vermelden door een notaris van een vervalst stuk als een element in een door hem op te stellen ander stuk, zeker te kunnen vallen onder het begrip "gebruik maken" gebezigd in artikel 230 Sr.N.A.
Onderdeel 3) van middel IX brengt de klacht naar voren, dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen, dat rekwirant van het onderhandse geschrift heeft gebruik gemaakt als ware het echt en onvervalst en in elk geval niet, dat dat gebruik maken geschiedde ter misleiding van anderen, tegenover wie daarvan gebruik werd gemaakt; dat uit die bewijsmiddelen evenmin kan volgen, dat enig opzet van rekwirant bij het gebruikmaken van de onderhandse akte was gericht op de omstandigheid, dat de akte vervalst was, dat in elk geval de omstandigheid dat rekwirant zowel vóór als na 27 januari 1965 bekend was met de in de onderhandse akte aangebrachte datumwijziging niet inhoudt of medebrengt, dat bij rekwirant het genoemde opzet aanwezig was, terwijl uit het refereren aan de onderhandse akte in de andere akte noch de opzet, gericht op de vervalstheid van de onderhandse akte, noch de opzet, gericht op de misleiding vanzelf sprekend zou volgen.
Deze stellingen komen mij niet gegrond voor. De steller van het middel ziet dunkt mij over het hoofd, dat het hier een notaris betreft, een ambtenaar die tot taak heeft ware geschriften op te maken, die tot een rechtmatig doel moeten dienen. Wanneer een zodanig ambtenaar in door hem opgemaakte akte tussen hetgeen comperanten hem mededelen valsheden invlecht, welke hem als zodanig bekend zijn, zulks in de wetenschap, dat anderen daardoor misleid zullen worden, dan is de opzet, waarop dit onderdeel van het middel het oog heeft, bij hem aanwezig. Die opzet heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden: Deze omstandigheden zijn ook in de telastelegging te vinden, waar daar wordt gesproken van het opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. Deze omstandigheden bewezenverklarende is het Hof derhalve niet getreden buiten de grondslag van de telastelegging, zodat ook onderdeel 4) van Middel IX, waarin het tegendeel wordt betoogd, niet tot cassatie zal kunnen leiden.
Dat uit het bewezenverklaarde gebruik door rekwirant geen nadeel kon ontstaan, zoals onderdeel 5) van Middel IX betoogt, kan de steller van het middel niet worden toegegeven. Door het refereren aan de vervalste onderhandse akte in de notariële akte ontstond immers een notariële akte waarin een valsheid voorkwam, een omstandigheid, welke, zoals ook de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie in eerste aanleg in zijn requisitoir heeft betoogd, het gevaar oplevert, dat bij het publiek wantrouwen zou ontstaan ten opzichte van de handelingen van notarissen en derhalve benadeling van het belang der gemeenschap met zich zou brengen (H.R. 29 maart 1943, N. J. 1943, no. 371) . Het Hof behoefde van deze mogelijkheid van nadeel niet uitdrukkelijk melding te maken, nu van de omstandigheden welke dat nadeel opleverden uit de bewijsmiddelen bleek.
Middel XI voert in de onderdelen 3) en 4) nog een tweetal omstandigheden aan, welke naar het oordeel van de steller der middelen tot vrijspraak van rekwirant van het hem onder 3) telastegelegde zou hebben moeten leiden. Onderdeel 3) betoogt, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, dat rekwirant het oogmerk had om de notariële akte als echt en onvervalst te doen gebruiken. Ook dit onderdeel is niet gegrond. Een notaris, die een akte van een inhoud als in de bewezenverklaring vermeld, opmaakt, weet, dat die akte zal worden gebruikt en dat die zal worden gebruikt als ware zij echt en onvervalst. Mij dunkt, dat deze zekerheid voldoende is om op te leveren het element van art. 230 Sr.N.A. "met het oogmerk om het als echt en onvervalst door anderen te doen gebruiken".
Onderdeel 4) van Middel XI bevat met betrekking tot onder 3) bewezenverklaarde dezelfde klacht als in onderdeel 5) van Middel IX ten aanzien van het onder 1) bewezenverklaarde naar voren is gebracht. Het zal op dezelfde gronden moeten falen.
Middel XII brengt de klacht naar voren, dat de door het Hof in zijn vonnis opgenomen beslissing "Beveelt de gevangenhouding van de beklaagde in het Huis van Bewaring op Curacao" niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 212 j art. 76 en 277 Sv. N. A. met redenen is omkleed. Deze klacht komt mij niet gegrond voor. De beslissing van het Hof, waarbij de gevangenhouding van rekwirant werd bevolen - en welke inderdaad niet is gemotiveerd - , kan men op twee wijzen beoordelen. Men kan die beslissing als overbodig en derhalve als een beslissing ten overvloede beschouwen, welke derhalve geen motivering behoeft. Immers is ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 oktober 1966 op vordering van de Officier van Justitie door de Rechter in Eerste Aanleg de gevangenneming en gevangenhouding van rekwirant bevolen op grond van vrees voor vlucht van de beklaagde. Van deze beslissing is blijkens het vermelde in het proces-verbaal van de terechtzitting een afzonderlijke beslissing opgemaakt. Zodanige beslissing, na de verwijzing naar de terechtzitting genomen behoeft niet te worden verlengd, doch blijft van kracht totdat anders is beslist, dan wel de tenuitvoerlegging is aangevangen (H.R. 5 februari 1894 w. 6469).
In de tweede plaats kan men 's Hofs beslissing tot gevangenhouding beschouwen als een toepassing van het voorschrift van art. 206 Sv. N.A., voorzover bepalende, dat de rechter kan bepalen, dat de beklaagde in hechtenis zal blijven totdat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, welk voorschrift blijkens artikel 227 ook bij de berechting in hoger beroep van toepassing is. In dit voorschrift wordt van motivering niet gesproken.
De in de middelen vervatte klachten ongegrond achtend heb ik de eer te concluderen, dat Uw Raad het beroep in, cassatie zal verwerpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,