L.
Nr. 10129
Zitting 15 december 1967.
Mr. Minkenhof.
Conclusie inzake:
[eiser] / [verweerder] .
Edelhoogachtbare Heren,
De President in kort geding heeft de vordering van eiser jegens verweerder strekkende tot een verbod tot het doen van door eiser beledigend geachte uitlatingen toegewezen, met de overweging dat het temperament en het mededeelzaam karakter van verweerder een herhaling van deze uitlatingen tot de mogelijkheden doet behoren. In prima had verweerder de vordering mede wat dit punt betreft bestreden, doch zijn grieven in hoger beroep gingen daaraan voorbij en betroffen slechts het beledigend karakter van de gewraakte mededelingen. Het Hof oordeelde een gedeelte daarvan onbetamelijk, doch wees niettemin de vordering af, daar het college het gevaar dat verweerder deze of dergelijke openlijke beschuldigingen aan het adres van eiser zal herhalen zó gering achtte, dat een verbod als door eiser gevorderd onnodig werd geoordeeld. Het Hof zou door deze beslissing volgens het cassatiemiddel het karakter van het rechtsmiddel van hoger beroep en zijn taak als appelrechter hebben miskend.
Naar ik meen ten onrechte stelt eiser zich op het standpunt, dat het Hof is afgeweken van de feiten, zoals deze door de eerste rechter waren vastgesteld. De feiten, zijnde de geïncrimineerde uitlatingen, zijn volgens het Hof geen andere dan volgens de president. Hof en president verschillen echter van mening ten aanzien van de toekomstverwachting, nl. het gevaar dat verweerder zich wederom op soortgelijke wijze jegens eiser zal uitlaten, en in verband daarmede denken zij verschillend over de vraag of eiser een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft. Dit punt dient door de appelrechter in kort geding ambtshalve te worden onderzocht, ongeacht of daaromtrent een grief is voorgedragen. Ik moge verwijzen naar Uw arresten van 15 januari 1960 N.J. 1960 no.84, in het bijzonder de slotopmerking betreffende de vraag of het ingrijpen van de president wel geboden was, en van 8 januari 1965 N.J. 1965. no:162 met de noot van P.H.S. De rechter in kort geding, ook de appelrechter dient de gevraagde voorziening te weigeren, wanneer hij van oordeel is dat geen onmiddellijke voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is vereist en dus aan de rechter in kort geding geen bevoegdheid toekomt (zie Meyers Het kort geding, tweede druk 1967 bewerkt door Vermeulen blz. 103 noot 4 ) .
Daar ik het middel ongegrond acht moge ik concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,