L.
Nr. 749/221 S.
Parket, 5 mei 1969.
Mr. Kist.
Nadere conclusie inzake:
[rekwirant]
Edelhoogachtbare Heren,
Naar aanleiding van de alsnog ingediende cassatieschriftuur, moge ik het navolgende opmerken.
Onderdeel A van het middel zal m.i. niet tot cassatie kunnen leiden. Het oordeel van de Kantonrechter, dat zelfs indien het bespelen van de aan het verkeer onttrokken verklaarde speelautomaten alleen aan Chinezen was toegestaan, dit de ruimte waar zo stonden niet tot een besloten ruimte maakte, maar een voor het publiek — in casu Chinezen — toegankelijke, acht ik juist. De Kantonrechter heeft daarmee, dunkt mij, niet blijk gegeven te zijn uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het wettelijk begrip ‘’voor het publiek toegankelijk.’’
Dit begrip zal benaderd moeten worden vanuit de tegenstelling ervan: de bestreden groep of kring.
In aanmerking genomen het van algemene bekendheid zijnde feit dat in Amsterdam vele Chinezen wonen, kan een beperking van de toegankelijkheid van de bedoelde ruimte tot publiek dat naar ras of nationaliteit Chinees kan worden genoemd, niet betekenen, dat bedoelde ruimte niet voor het publiek toegankelijk zou moeten worden geacht. Van een besloten groep of kring, d.w.z. een groep of kring die uit hoofde van het beperkte aantal der leden en de tussen die leden bestaande relatie als besloten zou kunnen worden aangemerkt (vgl. HR 13 januari 1959 N.J. 1959 no. 58 en H.R. 13 januari 1959 N.J. 1959 no. 59 gewezen onder de oude Loterijwet) is hier m.i. geen sprake. Het aantal is te groot en de enige band is het ras of de nationaliteit.
Daarom moet de conclusie zijn: uitsluitend Chinees publiek is (in de gegeven omstandigheden) publiek in de zin van artikel 30 van de Wet op de Kansspelen.
Ook onderdeel B van het middel zal niet kunnen slagen. Dit onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag, dat de Kantonrechter blijkens de inhoud van zijn beschikking wel degelijk, zij het ook veronderstellenderwijs, is uitgegaan van de situatie, dat het bespelen van de speelautomaten alleen aan Chinezen was toegestaan. Hij kan derhalve niet gezegd worden de in onderdeel B omschreven situatie niet in aanmerking te hebben genomen, zij het ook dat dit tot een voor rekwirant ongunstige beslissing heeft geleid. Dat, zoals het middel stelt, politie en justitie (hier kan slechts het O.M. bedoeld zijn), onder de beschreven omstandigheden niet tot strafrechtelijke vervolging zouden overgaan (bedoeld zal zijn: in het verleden niet zijn overgegaan), kan, gesteld dat deze bewering juist is, de Kantonrechter niet binden. Deze heeft immers zelfstandig te beslissen of een aan hem voorgelegd feit strafbaar is.
In onderdeel C tenslotte wordt een beroep gedaan op diverse feiten waarvan niet blijkt uit de bestreden beschikking, zodat dit onderdeel reeds wegens gemis aan feitelijke grondslag niet kan slagen.
Het middel in al zijn onderdelen ongegrond achtend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,