L.
Nr. 66199
Zitting 4 januari 1972.
Mr. Kist.
Conclusie inzake:
[requirant] .
Edelhoogachtbare Heren,
Het enige in deze zaak voorgestelde middel, stellende dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid, dat rekwirant de doorgang voor de voor hem van rechts komende bestuurder niet zou hebben vrijgelaten, zal naar mijn mening niet tot cassatie kunnen leiden. Uit de drie door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen kan, dunkt mij, zeer goed worden afgeleid dat rekwirant op het betrokken kruispunt de doorgang voor de van rechts komende bestuurder niet heeft vrijgelaten. Verdachte zelf heeft immers verklaard, dat hij de kruising is opgereden terwijl voor hem van rechts uit de richting van de Osdorperban een andere auto naderde en dat hij voor die auto niet is gestopt, waarop midden op de kruising een botsing tussen beide auto's ontstond. Voorts heeft [betrokkene 1] aan de verbalisanten verklaard dat op deze kruising een ten opzichte van hem van links komende Ford Taunus (de auto van rekwirant) tegen de linkerzijde van zijn auto botste. En ten slotte heeft [getuige] als getuige verklaard dat zij heeft gezien dat rekwirant met grote snelheid de kruising opreed op het moment, dat voor hem van rechts over de weg genaamd Meer en Vaart een andere auto ongeveer gelijktijdig met hem die kruising opreed, en dat rekwirant niet voor die andere auto stopte, waarna er ongeveer midden op de kruising een botsing tussen beide auto's ontstond.
Uit deze bewijsmiddelen blijkt in het geheel niet zoals in de toelichting wordt gesteld, dat rekwirant het gehele kruisingsvlak heeft vrijgelaten en evenmin dat de van rechts komende bestuurder een bocht naar links heeft gemaakt en daarbij die bocht te kort maakte. Een beroep op deze omstandigheden mist derhalve feitelijke grondslag en kan rekwirant niet baten.
Waar het middel ongegrond is, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,