N.
Nr. 11.151.
Zitting van 4 maart 1977.
Mr. Berger.
Conclusie in zake:
[eiser]/[verweerder].
Edelhoogachtbare Heren,
Bij vonnis van 30 september 1976 heeft de Kantonrechter de thans eiser tot cassatie ([eiser]) een decisoire eed opgelegd. Van dit vonnis is [eiser] in cassatie gekomen. In het middel van cassatie wordt aan de Kantonrechter in de eerste plaats verweten, dat hij rechtsregels heeft geschonden door te beslissen gelijk hij deed, terwijl er in de tweede plaats over wordt geklaagd, dat de Kantonrechter zijn beslissing niet naar de eisen der wet heeft gemotiveerd.
Bij beschikking van 28 januari 1977 heeft Uw Raad het verzoek van [eiser] tot toelating om te dezen kosteloos te procederen afgewezen op grond:
dat toch het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis van de Kantonrechter te Tilburg en daarom afstuit op artikel 100 van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover het er over klaagt dat de Kantonrechter rechtsregels heeft geschonden door het opdragen van de betreffende decisoire eed, terwijl de aan het middel toegevoegde motiveringsklachten zelfstandige betekenis missen, immers slechts klagen over gebrek aan motivering waaraan het vonnis zou lijden in het — niet uit het vonnis blijkende — geval dat de Kantonrechter wel met bedoelde rechtsregels rekening zou hebben gehouden.
Mij hierbij aansluitend ben ik van oordeel, dat op voorschreven grond het voorgestelde middel niet tot cassatie zal kunnen leiden, immers in het gegeven geval een beroep in cassatie tegen het onderhavig vonnis van de Kantonrechter niet is toegelaten.
Ik moge derhalve concluderen, dat eiser tot cassatie in zijn beroep niet ontvankelijk worde verklaard met zijn veroordeling in de kosten op de voorziening gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,