eb
Nr. 1252
Rekest
Mr. Leijten
Conclusie inzake:
[klager]
Edelhoogachtbare Heren,
Bij "afzonderlijke beschikking" als bedoeld in artikel 36a van het Wetboek van Strafrecht heeft de kantonrechter te Eindhoven, op vordering van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch, op 18 augustus 1981 aan het verkeer onttrokken verklaard: twee geprepareerde sneeuwvinken, drie dode zeeëenden, een dode zeekoet, een dode scholekster, een dode Jan van Gent en vier C2 vogelvergunningen. Over de in die beschikking gelaste onttrekkingen heeft rekwirant zich bij de zo-even vermelde kantonrechter beklaagd (HR 11 september 1979, NJ 1980, 9). Deze heeft - bij zijn beschikking van 6 november 1981 - ten aanzien van de twee geprepareerde sneeuwvinken met bijbehorende C2 vergunningen de onttrekking aan het verkeer herroepen met bevel tot teruggave van die sneeuwvinken aan rekwirant, maar het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze hem op 18 november 1981 betekende beschikking heeft rekwirant de volgende dag beroep in cassatie ingesteld, Naar ik aanneem strekt dit beroep zich niet uit tot de herroeping. Door of namens rekwirant zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
Ambtshalve breng ik echter het navolgende te berde. In zijn bestreden beschikking heeft de kantonrechter onder meer overwogen:
Uit het ambtsedig proces-verbaal nr. 2475/80 enz. .....
blijkt van feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden voortvloeit dat met betrekking tot de aan het verkeer onttrokken verklaarde voorwerpen, behoudens voor wat betreft de twee geprepareerde sneeuwvinken strafbare feiten zijn begaan. Ten aanzien van die feiten is inmiddels het reoht tot strafvordering door verjaring komen te vervallen.
Vatbaar voor onttrekking aan het verkeer zijn volgens artikel 36b van het Wetboek van Strafrecht, onder meer en voorzover hier van belang,voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. Dat geldt ook bij onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking. De vraag is nu of, desondanks, voor dat geval voldoende is, dat uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat een (of meer) strafbaar(are) feit(en) zijn begaan. Een zelfde soort vraag kan rijzen, wanneer bij een vrijsprekend vonnis toch de maatregel van onttrokkenverklaring aan het verkeer wordt toegepast. Van het (telastegelegde) feit is dan niet - naar de regels van het strafproces - bewezen, dat het door de verdachte werd begaan. Bij een afzonderlijke beschikking komt óók niet op strafprocesrechtelijke wijze vast te staan, dat het feit door de betrokkene is begaan.
Er moet, om met mijn ambtgenoot mr. Remmelink te spreken "sprake zijn van een gebeuren met strafrechtelijke inhoud" (Noyon-Langemeijer-Remmelink, artikel 36b, blz. 188b onder 2). Hij legt dat - voorzichtig - : "zelf heb ik wel verdedigd" zo uit, dat onder feit zou moeten worden verstaan een gebeuren, dat bij de inbeslagneming van het goed vermoed werd strafbaar te zijn.
Indien dat standpunt wordt aanvaard, is - a fortiori - de motivering van de rechtbank cassatie bestendig. De vraag óf dat standpunt, dat uiteraard om met de ontwerper ervan te spreken "zo gek nog niet is" aanvaard moet worden, zal uiteindelijk door Uw Raad beantwoord moeten worden, hetzij positief en stilzwijgend: door het beroep te verwerpen, hetzij negatief en uitdrukkelijk door het beroep ambtshalve gegrond te verklaren.
Zelf neig ik naar die laatste oplossing. Een feit, ten aanzien waarvan slechts een redelijk vermoeden bestaat dat het gebeurd is, is m.i. geen echt feit. Maatschappelijk zou het gevolg van deze opvatting kunnen zijn, dat zéér kostbare goederen, zonder het tot een proces te laten komen (dat wellicht tot vrijspraak had geleid), in beslag zouden kunnen worden genomen en - ondanks beklag - gehouden, met als volgende fase: onttrekking aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking en dat alles op de enkele grond, dat er bij de inbeslagneming een vermoeden bestond, dat met betrekking tot die goederen een strafbaar feit was begaan. Nu de wet tot die gevolgtrekking niet dwingt, gaat mij dit duidelijk te ver.
Ik ben van mening, dat in de beschikking zal moeten worden vastgesteld, dat met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen een "strafbaar" feit is begaan. Daarbij is dan m.i. niet van belang of in het strafrechtelijk proces de vraag naar de strafbaarheid aan de orde zou (kunnen) komen (ook als het feit verjaard en het O.M. daarom niet-ontvankelijk zou zijn - als in casu - zou ik - zie ook rechtbank Amsterdam 4 maart 1960, NJ 1960, 381 - dus inbeslagneming mogelijk achten - mits maar,
anders dan, in dit geval in de beschikking werd vastgesteld, dat het strafbaar feit was begaan). Ook zou ik - met Enschedé - niet van belang achten of het strafbaar feit door verdachte/ betrokkene was begaan en evenmin of het strafbare feit nu precies dat was wat was telastegelegd (bij vrijspraak) of waaromtrent de verdenking bestond (cf: HR 19 december 1978, NJ 1979, 234).
De onduidelijke wetgeving op dit punt zou verheldering ondervinden door een uitspraak van Uw Raad.
Naar mijn mening gebruikt de kantonreohter het juiste criterium als bij motiveert, waarom de inbeslagneming van de twee sneeuwvinken herroepen moet worden:
ten aanzien van de twee geprepareerde sneeuwvinken met bijbehorende C2 vergunningen is onvoldoende bewezen dat een strafbaar feit is begaan,
In deze richting, die mij de méér juiste lijkt, omdat zij de rechtsgenoot het sterkst beschermt tegen rechtsonzekerheid en tegen hem willekeurig toeschijnende ingrepen in zijn persoonlijk domein, gaan, geloof ik HR 7 december 1971 NJ 1972 no. 197 en HR 8 januari 1974 NJ 1974, 115, al meen ik dat het parafraserend commentaar op die laatste beschikking in de bekende Cremers- editie (onder artikel 36a Sr.) - hoewel mij zeer aansprekend - iets verder gaat dan uit het arrest zelf valt te lezen:
Ook na een sepôt kunnen bij afzonderlijke beschikking inbeslaggenomen goederen aan het verkeer onttrokken verklaard worden, nu een sepôt niet uitsluit dat een strafbaar feit is begaan in de zin van Sr. 36b. De Rechter moet dit dan wel vaststellen in zijn beschikking ..
Ook wil ik nog opmerken, dat noch uit de beschikking van de kantonrechter op de vordering tot onttrekking aan het verkeer (d.d. 18 augustus 1981) noch uit de thans bestreden beschikking op het beklag (d.d. 6 november 1981), blijkt, dat de aan het verkeer onttrokken (dode) vogels c.s. in beslag genomen zijn. Dat blijkt overigens wèl uit de kennisgeving van inbeslagneming no. 2475/80, die zich bij de stukken bevindt, die aan Uw Raad zijn toegestuurd. Daartoe behoort óók de vordering van de officier van justitie, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld, dàt de vogels c.s. waarvan onttrekking aan het verkeer wordt verlangd, inbeslaggenomen zijn. Gelet op de ineenstorting van de papieren muur zou ik daarom menen, dat Uw arrest van 5 november 1968 NJ 1969, 82 in dit geval geen toepassing (meer) vindt.
Ik konkludeer, dat Uw Raad ambtshalve de bestreden beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 6 november 1981 zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar de Rechtbank te 's-Hertogenbosoh om deze opnieuw te berechten en af te doen.
Parket, 15 december 1981
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,