ECLI:NL:PHR:1983:AC8152

ECLI:NL:PHR:1983:AC8152, Parket bij de Hoge Raad, 25-10-1983, 75959

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 25-10-1983
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 75959
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1983:AC8152
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Medeplegen diefstal tafelkleed, art. 311.1 Sr. Oogmerk van wederrechtelijke toeëigening van tafelkleed? Verweer v.zv. luidende ‘’opzet van verdachten was niet gericht op wederrechtelijke toeëigening van tafelkleed maar op - volgens verdachten - juiste uitvoering van koopovereenkomst’’ is bezwaarlijk anders te verstaan dan in die zin dat met ‘’opzet’’ is bedoeld in tll. genoemd ‘’oogmerk’’, en met ‘’verdachten’’ ‘’verdachte en haar mededader’’ alsmede dat verdachte en haar mededader meenden gerechtigd te zijn zich tafelkleed toe te eigenen. 's Hofs overweging, inhoudende dat “dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan geenszins denkbeeldige kans dat zij zich schuldig zou maken aan diefstal, nu zij door rechthebbende is gewaarschuwd dat, wanneer zij winkel met kleed zou verlaten zonder daarvoor te betalen, politie i.v.m. diefstal zou worden ingeschakeld", is onverenigbaar met beslissing omtrent bewezenverklaring. In deze laatste is immers sprake van bij verdachte en haar mededader aanwezig oogmerk van wederrechtelijke toeëigening van tafelkleed. 's Hofs overweging ‘’dat verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan geenszins denkbeeldige kans dat zij zich schuldig zou maken aan diefstal’’ laat mogelijkheid open dat naar 's Hofs oordeel verdachte (en haar mededader), ofschoon wederrechtelijke toeëigening van tafelkleed niet beogende, heeft gehandeld met voorwaardelijke opzet op zodanige toeëigening, welke mogelijkheid in bewezenverklaring wordt uitgesloten. Bewezenverklaring is niet naar eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

Uitspraak

v.R.

Nr. 75.959

Zitting 6 september 1983.

Mr. Mok.

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar college,

Rekwirante heeft zich, tezamen met een ander, naar een winkel begeven met een tafelkleed waarin een vlek en een gat zaten. Zij heeft de bedrijfsleider van die winkel medegedeeld dat het kleed daar door een derde (schoonzuster van rekwirante) was gekocht en eiste ruiling. De bedrijfsleider weigerde dat, omdat (althans mede omdat) rekwirante geen kassabon kon tonen. Rekwirante en haar metgezel hebben toen zonder toestemming een ander soortgelijk kleed gepakt. De bedrijfsleider heeft gewaarschuwd dat wanneer zij de winkel met dat kleed zouden verlaten zonder te betalen, hij dat als diefstal zou opvatten en de politie zou waarschuwen. Rekwirante en de metgezel hebben de winkel toen toch met het kleed verlaten zonder te betalen, waarop de politie is ingeschakeld, die het tweetal buiten de winkel en ook buiten het winkelcentrum (namelijk bij een tramhalte) heeft aangehouden.

In hoger beroep heeft het gerechtshof in Den Haag rekwirante wegens diefstal door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot een geldboete van ƒ 500,--, waarvan ƒ 250,-- voorwaardelijk. Daartegen zijn drie cassatiemiddelen aangevoerd, die m.i. alle op hetzelfde neerkomen: er is niet gestolen maar geruild. Het eerste middel stelt dat het hof had moeten onderzoeken of recht op ruiling bestond en aannemelijk was omdat, indien dat het geval was, niet wederrechtelijk zou zijn gehandeld. Volgens het tweede middel betekent de omstandigheid dat tegen de wil van de winkelier geruild werd nog niet dat de aanwezigheid van opzet of het oogmerk tot wederrechtelijke toeëigening bestond. Het derde middel verdedigt dat de feiten uitwijzen dat het oogmerk niet was gericht op wederrechtelijk wegnemen, doch op juiste uitvoering van de koopovereenkomst.

De zienswijze van rekwirante behelst dat zij als gemachtigde of zaakwaarneemster voor een derde (de schoonzuster die het oorspronkelijke kleed gekocht zou hebben) een in de koopovereenkomst begrepen recht op ruiling kwam effectueren. Die stelling mist om verschillende redenen feitelijke grondslag. In de eerste plaats is niet komen vast te staan dat het kleed in de betrokken winkel is gekocht, dus dat überhaupt van een koopovereenkomst met die onderneming sprake was. Zou al sprake zijn van koop in die winkel, dan vloeide daar nog geenszins een recht op ruiling uit voort (er is bijv. niet gesteld, laat staan aangetoond, dat de beschadiging en bevuiling vóór de koop hadden plaatsgevonden). In de derde plaats is niet gebleken dat rekwirante bevoegd namens de koopster optrad.

Wegens dit meervoudig ontbreken van feitelijke grondslag falen alle middelen. Deze middelen zouden echter evenzeer falen indien de hierboven genoemde feiten wel waren vastgesteld. Het gaat immers niet aan dat een koper tegen de wil van de wederpartij een recht op ruiling van een gekocht goed door middel van eigenrichting effectueert. Nu rekwirante dit wel heeft gedaan heeft zij het bewuste tafelkleed, ook in de veronderstelling dat een recht op ruiling zou hebben bestaan, weggenomen met het oogmerk dit zich wederrechtelijk toe te eigenen. Ten onrechte gaan de cassatiemiddelen van een andere opvatting uit.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1984, 300
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?