ECLI:NL:PHR:1984:AC8345

ECLI:NL:PHR:1984:AC8345, Parket bij de Hoge Raad, 20-03-1984, 76 648

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 20-03-1984
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 76 648
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1984:AC8345
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Medeplegen invoer van cocaïne, art. 2.A Opiumwet. Verstek in hoger beroep. 1. Nietigheid dagvaarding wegens onvoldoende duidelijkheid, nu gebruik van verwijzing naar wettelijke voorschriften in tll. in strijd is met art. 261 Sv? 2. Verweer in eerste aanleg dat bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen op de grond dat politie een vrouw heeft aangesproken en haar naar herkomst van het door haar gewisselde geld heeft gevraagd en later woning is binnengetreden zonder dat redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond. Ad 1. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat tll. niet in duidelijkheid is tekortgeschoten door daarin vervatte verwijzing naar Opiumwet ter omschrijving van daarin bedoeld binnen grondgebied van Nederland brengen. Hof heeft aldus kunnen oordelen, mede in aanmerking genomen dat ttz. door of namens verdachte, die in eerste aanleg aanwezig was en bijgestaan werd door raadsman, ter zake geen verweer is gevoerd. Ad 2. Hof heeft uit verklaringen van verbalisanten klaarblijkelijk afgeleid (en kunnen afleiden) dat politie de vrouw slechts als informante en niet als verdachte heeft aangesproken, doch naar aanleiding van haar opmerkingen het redelijke vermoeden heeft opgevat dat in woning de Opiumwet werd overtreden en daar vervolgens (voorzien van bijzondere schriftelijke last van hulp OvJ en niet tegen wil van bewoners) toegang gekregen heeft. In het licht hiervan heeft hof het desbetreffende verweer verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen. HR merkt daarbij op dat wisselen en over straat vervoeren van groot bedrag aan contant geld (bijna ƒ 300.000) niet noodzakelijk redelijk vermoeden van schuld a.b.i. art. 27.1 Sv jegens de vrouw opleveren maar in samenhang met mededelingen van de vrouw en ervaring van verbalisanten wel redelijk vermoeden a.b.i. art. 9.1.b Opiumwet rechtvaardigen. Observatie-activiteit van politie voorafgaande aan aanspreken van de vrouw behoefde hof niet tot ander oordeel omtrent karakter van dat aanspreken te leiden. Ook als politie de vrouw toen als verdachte had aangemerkt, zou dat bewijsgaring jegens verdachte niet onrechtmatig maken.

Uitspraak

JL

Nr. 76.648

Zitting 24 januari 1984

Mr. Remmelink

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbare Heren,

In deze zaak waarin het Hof rekwirante in appel bij verstek heeft veroordeeld terzake van ‘’medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid onder A Opiumwet gegeven verbod’’ (invoer in Nederland van cocaïne) tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren + onttrekking aan het verkeer van cocaïne en verpakkingsmateriaal daarvan, tegen welk arrest zij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens haar twee middelen van cassatie voorgesteld, waarvan het eerste bij pleidooi nader is toegelicht.

In middel I wordt gesteld, dat het Hof, kennelijk aannemende dat het namens haar in eerste instantie gevoerd verweer, n'en déplaise de verstekbehandeling in april werd gehandhaafd, dit op ongenoegzame gronden heeft verworpen.

Het verweer hield in, dat rekwirante diende te worden vrijgesproken, nu het tegen haar aanwezige bewijsmateriaal onrechtmatig zou zijn verkregen, omdat de politie de vrouw [betrokkene] heeft aangesproken en haar naar de herkomst van het door haar (bij de Nederlandse Bank) gewisselde geld (bijna ƒ 300.000,--) heeft gevraagd, en later de woning [a-straat 1] huis te [plaats] is binnengetreden, zonder dat een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit tegen voormelde vrouw of tegen de bewoners van voormelde woning bestond.

Het Hof heeft dit verweer verworpen door te verwijzen naar de verklaringen in beide instanties afgelegd door de hoofdagenten-rechercheur van gemeentepolitie [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Ik moge uit beide verklaringen enkele punten naar voren halen, die, naar ik aanneem voor het Hof relevant zullen zijn geweest:

a. Verklaring [verbalisant 1].

1. Een employee van de Nederlandse Bank stelt de politie op de hoogte van een kennelijk in diens ogen verdachte zaak: Een vrouw wil een bedrag van ƒ 300.000,-- in coupures van honderd gulden wisselen in coupures van duizend gulden.

2. [verbalisant 1] en zijn collega zien vervolgens dat zij een bedrag van ƒ 296.000,-- aan briefjes van duizend in een boodschappentas stopt.

3. De vrouw, door de politie over het geld aangesproken, verklaart dat zij als kinderoppas van een uit Zuid-Amerika afkomstige vriendin werkzaam was. Die had haar gevraagd het geld te wisselen. De vriendin woonde [a-straat 1] huis. Daarin hielden zich volgens haar regelmatig eveneens uit Zuid-Amerika (voornamelijk Bolivia) afkomstige personen op, die, na daar enige tijd te hebben verbleven, naar hun land van herkomst terugkeerden. Nu zouden er ook enige in de woning zijn.

4. Bij de recherche opgedane ervaring leert dat een groot deel van de vooral bij omvangrijke cocaïne-transacties betrokken personen uit Zuid-Amerika, met name uit de cocaïne producerende Andes-staten, w.o. Bolivia, komt.

b. Verklaring [verbalisant 2].

Het was bij de narcoticabrigade (waarvan [verbalisant 2] deel uitmaakte) bekend, dat de woningen in de directe omgeving van het opgegeven adres nogal eens worden gehuurd door handelaren in verdovende middelen, zoals cocaïnehandelaren, dikwijls afkomstig uit die landen in Zuid-Amerika, waar cocaïne wordt geproduceerd, bijv. Bolivia. Vanuit zo'n flat wordt dan naar Nederland gesmokkelde cocaïne verhandeld. Met deze activiteiten worden gedurende korte tijd zeer grote sommen verdiend. Voor dergelijke handelaren speelt, anders dan voor hun landgenoten die om andere redenen in Nederland verblijven, de hoge huurprijs geen enkele rol. Laatstgenoemde categorie zal men daarom juist zelden in die buurt aantreffen.

Het komt mij voor dat het Hof op voormelde gronden kennelijk aannemende, dat de politie een redelijk vermoeden van schuld als hiervoor nader aangeduid kon hebben (zoals [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dan ook stelden dat er bij de politie was) en aldus de stelling dat sprake zou zijn van onrechtmatige bewijsgaring geredelijk heeft kunnen verwerpen.

De geëerde steller van het middel heeft nog wel aangehaald een (door hem overgelegd) arrest van het Amerikaans Hooggerechtshof van 23 maart 1983 in de zaak Florida versus Royer (75 L Ed 2 d 229) waarin wordt uitgemaakt dat een ‘’drug courier profile’’ zonder meer onvoldoende is om er een redelijk vermoeden voor een strafbaar feit op te baseren. Een ‘’drug courier profile’’ zou dan zijn ‘’an abstract of characteristics found to be typical of persons transporting drugs’’ (In Royer's case, the detectives attention was attracted by the following facts which were considered to be within the profile: a) Royer was carrying American Tourister luggage, which appeared to be heavy, b) he was young, apparently, between 25–35, c) he was casually dressed, d) Royer appeared pale and nervous, looking around at other people, e) Royer paid for his ticket in cash with a large number of bills, and f) rather than completing the airline identification tag to be attached to checked baggage, which had space for a name, adress, and telephone number, Royer wrote only a name and the destination).

Maar hier was toch meer aan de hand, zodat ik meen, dat dit arrest voor Uw Raad te dezen niet leidinggevend, of inspirerend kan zijn.

In middel II wordt gesteld, dat het Hof de dagvaarding nietig had moeten verklaren, nu in de telastelegging is volstaan met een simpele verwijzing naar ‘’de Opiumwet’’, waar het betreft de nadere aankleding van de term ‘’binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht’’. Het komt mij voor dat ook dit middel faalt, aangezien het verschil tussen het in globo verwijzen naar de Opiumwet en het daarbij vermelden van de wetsartikelen (wat door Uw Raad steeds is toegestaan) daarbij in een qua telastelegging eenvoudige zaak als deze te gradueel lijkt om daarop een dergelijke ingrijpende beslissing te baseren, te meer daar in eerste instantie door of namens requirante die van rechtsgeleerde bijstand was voorzien over onduidelijkheid in dit opzicht niet is geklaagd, en zich kennelijk goed daarop heeft kunnen verdedigen.

Beide middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 1984, 549
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?