JLNr. 1483
Rekest
Parket, 1 maart 1984.
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[klager]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin de Rechtbank het beklag van requirant tegen de inbeslagneming van een aantal honden ongegrond heeft verklaard, tegen welke beschikking hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem een middel van cassatie voorgesteld.
Onder 1 wordt aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte heeft verworpen het namens requirant bij de raadkamerbehandeling gevoerde verweer, dat de schuur waarin zich de honden bevonden deel uitmaakte van requirants woning en dat de verbalisanten, die niet waren voorzien van een last als bedoeld in art. 120 Sv. tegen de wil van requirant diens woning hebben betreden. Gesteld wordt dat het hier betreft een ruimte die binnenshuis gemeenschap heeft met de ‘’eigenlijke’’ woning, deze ruimte tot de woning gerekend dient te worden, ter adstructie van welke stelling wordt verwezen naar Bakhoven (TvS 1939, p. 295), Melai c.s. (aant. 5 op art. 120) en Noyon-Langemeijer, zevende druk (aant. 15 op art. 138), alsmede naar HR 14 december 1914, W. 9755.
Het middelonderdeel lijkt mij gegrond. Met name nu de Rechtbank heeft vastgesteld dat de ruimte (van de eigenlijke woning, R.) en de schuren door deuren met elkaar waren verbonden en de enige toegang tot het eigenlijke woonhuis zich in de kleine schuur bevindt komt de conclusie dat de betrokken ruimten niet tot de woning gerekend moeten worden mij niet aannemelijk voor. De omstandigheid, dat deze ruimten niet als woning (in enge zin) werden gebezigd lijkt mij niet doorslaggevend, waartoe zij verwezen naar voormeld arrest van Uw Raad waar sprake was van gebruik als werkplaats.
Onder 2 wordt nog aangevoerd, dat de inbeslagneming ook deswege nietig zou zijn, omdat de bewaring van de honden in strijd met de wet geschiedt. De wet (art. 1 lid 2 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen) wijst nl. als bewaarder aan de Provinciale Voedsel Commissaris, terwijl de honden zonder dat zulks in opdracht van voormelde Commissaris geschiedde, in een dierenasiel in bewaring zijn gegeven. De Rechtbank zou ten onrechte deswege niet de nietigheid van de inbeslagneming hebben uitgesproken, waartoe wordt verwezen naar HR 14 maart 1978, NJ 1978, no. 385. Het komt mij echter voor, dat de Rechtbank in dit geval heeft kunnen oordelen, dat deze fout niet dermate ernstig is, dat deswege ook de inbeslagneming als nietig moet worden beschouwd. Het beroep op voormeld arrest van Uw Raad lijkt mij niet sterk, omdat dit betrekking heeft op de bloedproef waar bijzondere waarborgen in het geding zijn.
Het middel (onder a) aannemelijk achtend concludeer ik dat Uw Raad de beschikking waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof van het ressort, teneinde haar op het bestaande beklag opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,