na.
Nr. 78.202
Zitting 26 februari 1985
Mr. Remmelink
Conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van ‘’Handelen in strijd met art. 33a, derde lid WVW’’ (bloedproefweigering) tot een geldboete van ƒ 1.500,-, subs. 30 dagen hechtenis + ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 9 maanden voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar + bijz. voorw.), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte zou hebben geoordeeld, dat van bloedproefweigering kan worden gesproken, ook al heeft requirant nadien te kennen gegeven, dat hij daarop wenste terug te komen enz.
Het middel faalt, dunkt mij, aangezien Uw Raad in zijn arrest van 12 december 1978, NJ 1979, no. 208 heeft beslist, dat wie eenmaal geweigerd heeft niet recht erop heeft dat alsnog een bloedonderzoek wordt verricht.
Ook de strafmotivering waarover requirant in dit verband mede klaagt lijkt mij correct, want begrijpelijk. Met name blijkt uit de voorwaardelijkheid van de ontzegging van voldoende begrip voor requirants problemen.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,