v.R.
Nr. 1590 Request.
Parket, 19 maart 1985.
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
1. [requirant 1] alsmede DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP [A] en [B]
2. [requirant 2].
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak, waarin de Rechtbank, voor zoveel hier van belang gegrond heeft verklaard het klaagschrift van gerequireerden tegen de inbeslagneming van een hangmap, bevattende correspondentie tussen de gerequireerden 1 en 2, tegen welke beschikking de Heer Officier zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is conform art. 447 Sv. een schriftuur inhoudende twee middelen van cassatie binnengekomen.
In middel 1 klaagt de Heer requirant erover, dat de Rechtbank de gerequireerde no. 2 als belanghebbende in de zin van art. 552 a Sv. heeft aangemerkt. Gerequireerde heeft – in deze trant het middel – door het feit van de verzending geen rechten, ergo geen belang meer, bij de door hem aan gerequireerden no. 1 verzonden brieven. Het komt mij voor, dat het middel faalt. De Rechtbank heeft, er vanuitgaande en verderop ook vaststellende dat gerequireerde no. 2 heeft gecorrespondeerd met gerequireerden no. 1 in zijn hoedanigheid van advocaat heeft geredelijk kunnen aannemen, dat gerequireerde, ook na het verzonden zijn van de brieven, belang had bij de bescherming van de vertrouwensrelatie met zijn cliënten. Weliswaar spreekt art. 98 Sv. beslagneming bij (o.m.) advocaten zonder hun toestemming ‘’verbiedend’’ uitsluitend over het geval dat deze maatregel ‘’bij’’ dergelijke personen wordt tenuitvoergelegd, maar een redelijke uitleg van dit artikel brengt in mijn voorstelling mee, dat ook, wanneer deze correspondente zich bevindt bij degene met wie zij werd gevoerd, de door het artikel bedoelde bescherming wordt aangenomen. Ik meen, dat deze uitleg steun vindt in het arrest van Uw Raad van 10 april 1979, NJ 1979, no. 374, waarbij Uw Raad besliste, dat de Rechter-Commissaris niet mag bepalen, dat telefoongesprekken met of vanuit een telefoonaansluiting die door een advocaat in de uitoefening van zijn beroep wordt gebezigd zonder diens toestemming, worden afgeluisterd.
Het gevaar dat de Heer requirant signaleert, dat deze interpretatie de regeling van art. 94 Sv. zou ontkrachten enz. lijkt mij, waar het hier uitsluitend de relatie tussen geheimhouders en hun cliënten betreft te verwaarlozen.
Middel 2, zich beroepend op de tekst van art. 98 Sv., met name op het woordje ‘’bij’’, heeft zijn weerlegging reeds gevonden in het hierboven naar aanleiding van middel 1 aangevoerde. Het beroep dat de Heer requirant doet op de belangenafweging door Uw Raad toegepast in zijn arrest inzake het gepretendeerde verschoningsrecht van de registeraccountant (HR 25 okt. 1983, NJ 1984, no. 132) gaat m.i. niet op, omdat daar een geheel andere belangenafweging aan de orde is, terwijl evenmin een rol kan spelen, dat de correspondentie in casu van civielrechtelijke aard zal zijn. De wetgever onderscheidt nl. niet in dit opzicht en ook uit een oogpunt van praktikabiliteit zou zo’n onderscheid niet wel te maken zijn.
De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,