A.T.
Nr. 1591 Request.
Parket, 12 maart 1985
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[requirant]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak heeft de Rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek strekkende tot betaling van rente over een bedrag van 290.000 Zweedse kronen, die in 1982 onder hem inbeslaggenomen en inmiddels teruggegeven zijn.
De Rechtbank heeft dit verzoek nl. als niet op de wet gegrond beschouwd, en heeft het deswege niet in behandeling genomen. Hoewel requirant blijkbaar wel is opgeroepen voor een raadkamerbehandeling, heeft een dergelijke behandeling niet plaatsgevonden. Althans daarvoor houd ik het, want een proces-verbaal van de behandeling is niet opgemaakt.
Er is een schriftuur inhoudende één cassatiemiddel binnengekomen, waarin geklaagd wordt over deze gang van zaken. De Rechtbank had, aldus het middel wèl in behandeling moeten nemen. Gesteld wordt, dat de Rechtbank het klaagschrift had kunnen opvatten als inhoudende een klacht over het gebruik dat van het inbeslaggenomen geld is gemaakt. Verwezen wordt naar art. 10 lid 3 Besluit Inbeslaggenomen Voorwerpen, waarin is bepaald dat tijdens het beslag geboren jongen van inbeslaggenomen dieren aan de rechthebbende worden afgegeven tegen betaling van de noodzakelijke kosten enz. Het komt mij echter voor, dat de wetgever niet gewild zal hebben dat bewaarders van geldsommen de verplichting hebben te zorgen voor een behoorlijke ‘’belegging’’. Dat zou de taak van de bewaarders enorm bezwaren, en zou — verwacht ik — een uitgebreide administratie vereisen. De vergelijking met de dieren gaat niet op, want aangenomen mag worden dat het hier gaat om dieren die reeds drachtig waren toen zij inbeslaggenomen werden. Ook uit de omstandigheid dat de wetgever hier wel gesproken heeft, maar over het kweken van rente zwijgt, kan worden afgeleid, dat deze service door het woord gebruik in art. 552a Sv. niet wordt omvat. Bedacht moet hierbij worden, dat inbeslaggenomen gelden niet zelden ook als overtuigingsstukken moeten worden aangemerkt, als wanneer bewaring in natura uiteraard geïndiceerd is.
Ik moet toegeven, dat deze wettelijke situatie, waarmee de feitelijke toestand in overeenstemming schijnt, niet altijd bevredigend is. Men zou zich kunnen voorstellen een wettelijke regeling, waarbij gelden en andere waardepapieren die alleen voor verbeurdverklaring in aanmerking komen (hierover beslist de Officier) bij een bankinstelling worden gedeponeerd teneinde deze op de gebruikelijke wijze te beheren. Faillissementscuratoren schijnen binnenkomende gelden ook op deze wijze bij een bankinstelling te deponeren, zodat het geld niet renteloos blijft liggen.
Een andere zaak is waar hier toch in beginsel (gelet ook op het aanvullend klaagschrift) wordt geklaagd over een verkeerd ‘’gebruik’’ van het geld de Rechtbank een officiële behandeling niet achterwege had moeten laten. Ik moet aannemen, nu een proces-verbaal ontbreekt, zo'n behandeling niet heeft plaatsgehad, schoon requirant wel daarvoor werd opgeroepen.
Op deze laatste grond concludeer ik dat Uw Raad de beschikking waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof van het ressort teneinde haar op het bestaande klaagschrift opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,