JM
Nr. 79.612
Zitting: 11 maart 1986
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van "medeplegen van valsheid in geschrift", meermalen gepleegd (samen met anderen prijsopgaven/rekeningen inzake in werkelijkheid niet te verrichten reparaties valselijk opmaken; het betrof geschriften die een bewijsbestemming hadden omdat deze van - in casu valse - aantekeningen door requirant voorzien, door [plaats] - mede - de basis waren om het op het stuk vermelde bedrag aan een der mededaders te betalen) tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 maanden voorwaardelijk (proeftijd 2 jaar), tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem vijf middelen (gronden genaamd) voorgesteld.
In middel I wordt aangevoerd dat de telastelegging wat het telastegelegde en bewezenverklaarde medeplegen (van valsheid in geschrift) betreft te kort zou schieten, nl. zo onduidelijk zou zijn, dat de dagvaarding nietig verklaard had moeten worden. Het zou nl. wenselijk en noodzakelijk zijn dat de telastelegging inhield wie de mededaders waren, wat hun aandeel was en welke handelingen zijn verricht, alsmede waaruit de samenwerking zou hebben bestaan enz.
Het komt mij echter voor, dat deze eis overtrokken is. Voor medeplegen kan volstaan worden met het beschrijven van het grondfeit, waarvoor elke mededader dan verantwoordelijk is, mits er (gelijk hier) sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking. Voorbeeld: HR 17 november 1981, NJ 1983, 84. Wie wat precies heeft gedaan voor zoveel nodig uit de bewijsmiddelen moeten blijken, doch hoeft in de telasteleggging zelf niet te worden vermeld. Ook de namen van de mededaders hoeven niet te worden opgegeven. Vgl. HR. 29 oktober 1974, NJ 1975, 108. De bewijsmiddelen zullen hier uiteraard doorgaans wel informatie over (moeten) verschaffen. Het vorenstaande houdt in dat, schoon het Hof weliswaar, gelijk wordt gesteld, op een desbetreffend verweer had moeten responderen, cassatie niet geïndiceerd lijkt, omdat het verweer toch verworpen had moeten worden. Wat voor het overige in de toelichting bij dit middel wordt gesteld heeft niet zo zeer te maken met de vraag of de onderhavige telastelegging voldoende gegevens bevat, maar met die of het gestelde wel als bewezen kan worden aangemerkt.
In middel II wordt gesteld, dat het bewezenverklaarde medeplegen door requirant uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen worden afgeleid. Aangevoerd wordt o.m. dat uit verhoren door de Rechter-Commissaris van enkele woonwagenbewoners en ten dele ook uit de stukken zou blijken dat de
betrokken woonwagens inderdaad gebreken vertoonden, zodat de door requirant telastegelegde kantmeldingen enz. niet valselijk geplaatst zouden zijn. Het komt mij voor, dat waar deze gegevens niet door het Hof zijn vastgesteld, in cassatie daarop niet met kans op succes een beroep kan worden gedaan. Selectie en waardering van het bewijsmateriaal is een zaak van de feitelijke rechter. Bovendien merk ik op, dat uit het door het Hof gebezigde bewijsmateriaal is af te leiden dat requirant de door hem vermelde gegevens fingeerde (verklaring van mede-complotteur [medeverdachte 1] , p. 5 vonnis Rechtbank: Requirant zou zonder enige controle een advies op deze offertes maken), zodat de overeenkomst met de ware situatie op toeval lijkt te berusten. Eigenlijk doet het er m.i. trouwens niet toe, of die gegevens waar zijn of niet, omdat zij slechts een functie vervullen in een in zijn geheel fictief document.
Verder wordt betwist dat het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat uit het gebruik van deze valse documenten enig nadeel kon ontstaan.
Het komt mij voor, dat het Hof zulks heeft kunnen afleiden uit de verklaring van [medeverdachte 2] , afgelegd tegenover de Rechter- Commissaris, die door het Hof voor het bewijs is gebezigd, en die inhoudt, dat [medeverdachte 1] en hij voor de administratieve afwerking zouden zorgdragen, waarna vervolgens [medeverdachte 3] (een van de mededaders) de desbetreffende uitkering zou ontvangen. Requirant zou van de geïnde bedragen f 500, -- per geval krijgen enz. Nu stelt requirant wel, dat bij dit alles ook nog een rol speelt het vervalsen van een bijstandsaanvraag, en dat deze factor ten onrechte niet in deze bewijsmiddelen voorkomt, maar ik meen dat het voldoende is, dat van de onderhavige valsheid gezegd kan worden tot nadeel te kunnen leiden.
Tenslotte stelt requirant dat het Hof nader had moeten ingaan op de omstandigheid, dat één der mededaders het complot heeft ontkend en als getuige ten gunste van requirant een verklaring heeft afgelegd. Ook hier geldt weder dat dit een feitelijke zaak is, die in cassatie niet met kans op succes aan de orde gesteld kan worden.
In middel III wordt gesteld, dat het Hof de telastelegging zou hebben "gedenatureerd" doordien het college niet bewezen heeft geacht de passage dat kort tevoren geen lekkage aan het dak van die woonwagen was geconstateerd. Ik zie niet in, dat deze passage een onverbrekelijk onderdeel van de telastelegging vormde, ingeleid als zij werd met de termen "en/of", hetgeen wijst op een situatie die ook wel met "althans" wordt aangeduid. Vgl. hierover de Melai-bundel, p. 437. Het Hof heeft weliswaar even tevoren bewezen geacht de passage dat requirant stelde, dat wèl lekkages waren geconstateerd, doch, zo wij zulks hiervoor reeds deden uitkomen, is er verschil tussen de fictieve vermeldingen van requirant en de misschien (toevallig) daarmee overeenkomende situatie.
In middel IV wordt gesteld, dat het Hof de grondslag van de telastelegging heeft verlaten doordien het college van de passage "immers heeft hebben/heeft hij, verdachte en/of zijns mededader(s)" bewezen heeft verklaard: "immers heeft een mededader". Ik ben van oordeel dat hier slechts van een redactionele kwestie sprake is. Het Hof heeft kennelijk de term "mededaders(s)" opgevat en geredelijk kunnen opvatten in die zin, dat daarmee werd bedoeld: een of meer mededaders van requirant. Welnu het opteerde voor de eerste mogelijkheid (één mededader). Ik zie hier geen wezenlijke afwijking van de telastelegging.
In middel V tenslotte wordt aangevoerd dat de onderhavige stukken geen "geschriften" zouden zijn in de zin van art. 225 Sr. Ook dit middel faalt, dunkt mij. Deze geschriften ook wel als rekeningen aangeduid fungeerden in dit geval immers kennelijk in het administratieve circuit van de gemeente, als stukken waaraan bewijswaarde werd toegekend voor de uitbetaling van gelden. Zie hierover Bakker, Valsheid in geschrift p. 68 e.v., alsmede Noyon-Langemeijer, II, p. 624 e.v.
De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,