AP/AT
Nr. 80.543 U
Zitting 10 september 1986
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak dient Uw Raad als feitelijk rechter, doende wat de Rechtbank te Amsterdam (wier uitspraak in zoverre werd vernietigd) had behoren te doen, te oordelen over de toelaatbaarheid van de door het Verenigd Koninkrijk gevraagde vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon. De executieuitlevering is destijds door de Rechtbank toelaatbaar verklaard en het daartegen door de opgeëiste persoon ingestelde cassatieberoep is door Uw Raad op 1 juli 1986 verworpen.
Aangezien dit feit ook voorkomt in de verwante uitleveringszaak [medeverdachte], die Uw Raad zoëven heeft behandeld, volsta ik met te verwijzen naar het betoogde in deze zaak (ik voeg de conclusie in die zaak hierbij).
Mijn slotsom in de zaak luidt:
Het verzoek en de daarbij overgelegde stukken voldoen aan de vereisten van het bilaterale uitleveringsverdrag tussen ons land en het Verenigd Koninkrijk, behoudens de feiten 15–17.
Er is sprake van voldoende schuld en derhalve kan gezegd worden dat er niet is gebleken, dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.
De verzochte uitlevering is mitsdien behoudens wat de feiten 1-14 betreft toelaatbaar. Voorts ware toe te wijzen het verzoek tot overgave van de inbeslaggenomen goederen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,