N.E.
Nr. 80.186
Zitting 16 december 1986
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
De stelling van het middel is dat de rechter ingevolge het bepaalde in het vijfde lid van artikel 359 Sv. gehouden is bij de oplegging van een geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straf ook de redenen op te geven die tot het bepalen van de duur van de proeftijd, als in de uitspraak bepaald, hebben geleid.
Het is, meen ik, niet verrassend dat noch de parlementaire geschiedenis van de Wet vermogenssancties (Wet van 31 maart 1983, S. 153) noch de rechtspraak steun voor deze opvatting bieden. De proeftijd zelf is geen straf of maatregel, bedoeld in artikel 359, lid 5 Sv.; zij bepaalt het tijdstip tot welk de niet-nakoming van de algemene of de bijzondere voorwaarden, bedoeld in artt. 14a, lid 1 en 14c Sr. (voor meerderjarigen) en artikel 77z, lid 2 Sr. (voor minderjarigen), tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf kan leiden.
Daarom strekt het voorschrift van artikel 359, lid 5 Sv. zich niet uit tot de aan een ‘’voorwaardelijke veroordeling’’ verbonden proeftijd.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,