N.E.
Nr. 86.940
Zitting 13 februari 1990
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld terzake van (1) opzettelijk als echte en onvervalste bankbiljetten uitgeven van bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, meermalen gepleegd; (2) valsheid in geschrift tot gevangenisstraf voor de tijd van één jaar + verbeurdverklaring van valse bankbiljetten, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem twee middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I wordt aangevoerd, dat in een door het Hof als leugenachtig gequalificeerde verklaring een passage voorkomt, die door het Hof (elders) voor waar wordt gehouden en aldaar voor het bewijs is gebezigd, nl. dat het bedrag van 50.000 Amerikaanse dollars op het moment van ontvangst een waarde van f 137.500,- vertegenwoordigde.
Het komt mij echter voor, dat dit middel faalt. De geëerde steller ervan miskent nl. dat wanneer een verklaring als onwaar wordt bestempeld zulks niet impliceert, dat niet bepaalde onderdelen daarvan wel als waar moeten worden aangemerkt. Wij zien dat verschijnsel ook bij oplichting. Juist de omstandigheid dat in een verklaring die als geheel genomen leugenachtig is bepaalde onderdelen wèl reëel zijn, vergroot de bedriegelijkheid. Zie Noyon-Langemeijer III, p. 1112 en de daar vermelde jurisprudentie: HR 19 maart 1923, NJ 1923, 738 en 19 januari 1942, NJ 1942, 574. Het is trouwens nauwelijks mogelijk een verklaring af te leggen, die geheel onwaarachtig is. Er is altijd wel iets "waar".
In middel II wordt aangevoerd, dat het Hof heeft verzuimd op de voet van het bepaalde in art. 63 Sr rekening te houden met een door de raadsman van requirant vermelde Zwitserse straf (van 6 jaar), die blijkbaar krachtens art. 31 lid 1 WOTS en het Europees Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen (zie hiervoor Hazewinkel-Suringa, elfde druk, p. 479) is omgezet in een Nederlandse gevangenisstraf van 5 jaar.
Ook hier verschil ik van mening, want ik vind dat de grondgedachte van art. 63, nl. dat de verdachte niet de dupe mag worden van de omstandigheid, dat (grof gezegd) het O.M. er niet in geslaagd is een (oud) feit gelijktijdig met latere delicten aan te brengen met als gevolg dat de ten gunste van de verdachte vastgestelde samenloopregeling (art. 55 Sr e.v.) niet kan worden toegepast (zie Hazewinkel-Suringa, elfde druk, p. 750) niet geldt, wanneer niet de Nederlandse, maar de buitenlandse justitie met die (oude) zaak bemoeienis heeft gehad. De (incidentele) omstandigheid, dat de buitenlandse straf naderhand in een Nederlandse "aequivalent" wordt omgezet doet hieraan niet af.
Bovendien meen ik dat requirant, ware de samenloopregeling wel toepasselijk, toch niet vanwege art. 63 een langere straf had kunnen krijgen. Het samenloopplafond werd immers niet gehaald. Op het eerste feit (art. 209 Sr) staat immers reeds 9 jaar gevangenisstraf. Vgl. o.m. HR 24 mei 1988, NJ 1989, 189.
De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,