Nr. 87.233
Zitting 8 mei 1990
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
Met verwijzing naar art. 7 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (EVR) en het bij dat artikel door Frankrijk gemaakte voorbehoud klaagt het middel dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet nietig heeft verklaard.
Ik meen dat het middel terecht is voorgesteld. Blijkens de dagvaarding was ten tijde van het uitbrengen ervan verzoekers adres in het buitenland bekend: [adres] .
Nu blijkens de akte van uitreiking de desbetreffende gerechtelijke brief (op 15 augustus 1988) per gewone brief is verzonden aan verzoekers adres in Frankrijk, heeft de betekening van de dagvaarding niet op de in art. 7 ERV, in verbinding met het door Frankrijk bij dat artikel gemaakte voorbehoud, voorgeschreven wijze plaatsgevonden.
Het hof heeft niet vastgesteld dat verzoeker op een andere wijze van de inhoud van de dagvaarding heeft kennis genomen.
Omdat bij het verzoek in hoger beroep evenmin aannemelijk is geworden dat verzoeker de inhoud van de dagvaarding kende, had het hof de dagvaarding nietig moeten verklaren.
Dat verzoeker tijdig vóór de terechtzitting in eerste aanleg met de inhoud van de inleidende dagvaarding op de hoogte was, heeft het hof niet kunnen afleiden uit het verzoek van de raadsman in hoger beroep, hem bij verzoekers afwezigheid als verzoekers raadsman op te laten treden noch uit de mededeling van verzoekers raadsman dat zijn cliënt in verband met pas verkregen deeltijdwerk niet uit Frankrijk kon overkomen. Uit dat verzoek en die mededeling kan slechts blijken dat verzoeker van de inhoud van de appeldagvaarding op de hoogte was.
Nu de raadsman in hoger beroep niet de gelegenheid heeft gekregen zich uit te laten over de wijze van betekening van de inleidende dagvaarding, is de cassatieprocedure voor verzoeker de eerste kans om over de wijze van betekening van de inleidende dagvaarding te klagen.
De bestreden uitspraak zal niet in stand kunnen blijven.
Vgl. HR 1 november 1983, NJ 1984, 275; HR 16 december 1986, NJ 1987, 562; 15 december 1987, NJ 1988, 707; Harteveld in DD 1985, p. 18; Van Dorst in NJB 1988, p. 1141; Beekhuis in de Bronkhorstbundel, p. 16. De Hoge Raad kan naar mijn mening zelf de zaak afdoen.
Ik concludeer dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, behoudens voor zover het hof daarbij het vonnis van de eerste rechter heeft vernietigd, en alsnog de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,