Nr. 89.415
Zitting 3 september 1991
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
Het gerechtshof te Amsterdam, enkelvoudige kamer, heeft bij arrest van 2 mei 1990 met vernietiging van het vonnis van de politierechter aldaar van 9 juni 1989 verzoeker wegens weigering van de bloedproef tot straffen veroordeeld. Tot de stukken van het geding behoort het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter, waarin het mondeling vonnis is aangetekend op de wijze, bedoeld in art. 378 lid 2 Sv. (Daarin verschilt deze zaak van die in HR 27 januari 1987, NJ 1987, 886, nt. ThWvV.) Voor de behandeling in hoger beroep betekent dit dat de regel van art. 422 lid 1 Sv geldt: het hof had over de vraagpunten van de artt. 348 en 350 Sv (vgl. HR 12 november 1957, NJ 1958, 371; Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, p. 207) moeten beraadslagen naar aanleiding zowel van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep als van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Over de betekenis van die regel: Melai, aant. 1 op art. 422.
In het middel wordt terecht opgemerkt dat ervan moet worden uitgegaan dat het hof de regel van art. 422 lid 1 Sv niet in acht heeft genomen, nu van die inachtneming uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof noch uit het arrest van het hof blijkt. Het geconstateerde verzuim leidt tot nietigheid van het bestreden arrest.
Het middel gegrond achtend, concludeer ik dat de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Amsterdam zal vernietigen en de zaak voor een nieuwe behandeling en berechting zal verwijzen naar een aangrenzend hof.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,