Nr. 97.925
Zitting 6 september 1994
Mr. Meijers
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker tot een gevangenisstraf van twee jaren veroordeeld en tevens zijn terbeschikkingstelling, met dwangverpleging, gelast (met verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen). De bewezen verklaarde feiten leveren wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting op. Namens verzoeker zijn twee middelen voorgesteld.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof bij het geven van de last van terbeschikkingstelling een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te overwegen dat de kans op herhaling niet uitgesloten moet worden geacht. In het middel wordt betoogd dat het hof hiermee afwijkt van de door de wetgever bedoelde rechtsgrond, die inhoudt dat gevaar (voor de maatschappij) aannemelijk moet zijn.
In deze zaak zijn de artikelen 37a en 37b Sr van toepassing, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding, op 15 januari 1994, van de Wet van 15 december 1993, S. 1994, 13. Blijkens deze artikelen kan de terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden bevolen, indien -voor zover hier van belang- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist. Of dit het geval is, is ter beoordeling van de feitenrechter (vgl. HR DD 87.119). Deze zal niet anders kunnen doen dan een oordeel geven aan de hand zowel van zijn eigen waardering van de ernst van (ook eerder) gepleegde delicten als van een door hem redelijk geachte prognose van een of meer deskundigen over het gevaar van herhaling. Waardering en prognose zullen tot het oordeel kunnen luiden dat, zoals het hof heeft overwogen, de kans op herhaling niet uitgesloten moet worden geacht.
Ik kan het middel niet volgen, waar het een wig wil drijven tussen deze overweging en het oordeel dat gevaar voor de maatschappij aannemelijk is. De aard van het begrip gevaar of gevaarlijkheid brengt mee dat het oordeel over de aanwezigheid van gevaar of gevaarlijkheid slechts een redelijk te achten gissing, een waarschijnlijkheidsoordeel, is. De wetsgeschiedenis waarop de steller van het middel zich beroept geeft, voor zover ik kan zien, geen steun aan de opvatting die in het middel wordt verdedigd. Vgl. E.J. Hofstee, TBR en TBS (1987), p. 449-451.
Het middel is ongegrond. Het stelt geen rechtsvraag van betekenis aan de orde en leent zich derhalve voor afdoening via art. 101a RO.
Ook het tweede middel, met de klacht over de motivering van de verbeurdverklaring, is ongegrond. De overweging van het hof, dat het videobandje een voorwerp is met betrekking waartoe of met behulp waarvan het sub 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan is, gelet op de inhoud van het proces-verbaal van de politie Roermond, nr. 92-019103 (zie bewijsmiddel 1) en van het proces-verbaal nr. 92-019146 eveneens van de politie te Roermond (zie bewijsmiddel 4), niet onbegrijpelijk. Het middel kan via art. 101a RO worden afgedaan.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,