Rekestnummer 8.676
Parket, 8 september 1995
Mr. Vranken
Conclusie inzake
[verzoekster]
tegen
Gemeente [plaats]
Edelhoogachtbaar College,
1. Op 25 juli 1994 heeft de gemeente [plaats] besloten de aan [verzoekster] in de periode van 15 april 1990 tot en met 18 juli 1990 op de voet van de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers verleende bijstand terug te vorderen. [verzoekster] zou gedurende die periode hebben samengewoond met haar ex-echtgenoot zonder dit aan de gemeente mede te delen.
2, Het verzoekschrift tot terugvordering is op 3 augustus 1994 bij het kantongerecht ingediend. Op dat ogenblik woonde [verzoekster] nog op haar oude, ook in het verzoekschrift vermelde adres.
3. [verzoekster] is op of omstreeks 9 augustus 1994 verhuisd naar een ander adres in [plaats] . Zij zegt (appelschrift, nr. 3) de Gemeentelijke Sociale Dienst hiervan op de hoogte te hebben gebracht. Het belang van deze stelling schuilt in het feit dat het besluit tot terugvordering is genomen door de Directeur van de GSD, die daartoe binnen de gemeente gemachtigd en bevoegd was, alsmede dat het ook de Directeur GSD is geweest die het verzoekschrift heeft opgesteld (doen opstellen) en heeft ondertekend.
4. Op 31 augustus 1994 is [verzoekster] in het bevolkingsregister op haar nieuwe adres ingeschreven. Voordien, op 18 augustus 1994, had het kantongerecht bij aangetekend schrijven het verzoekschrift van de gemeente aan [verzoekster] toegezonden op haar oude adres met een oproep om hetzij een verweerschrift in te dienen, hetzij te verschijnen op de zitting van 15 september 1994. Het kantongerecht heeft het schrijven niet retour ontvangen .
5. [verzoekster] is niet ter zitting van de kantonrechter verschenen. Bij beschikking van 29 september 1994 heeft deze de vordering van de gemeente toegewezen. Het kantongerecht heeft vervolgens de beschikking bij aangetekend schrijven van 13 oktober 1994 aan [verzoekster] verzonden, wederom aan haar oude adres. Ook dit schrijven is niet retour ontvangen.
6. [verzoekster] heeft gesteld dat zij pas op 16 november 1994 in het bezit is gekomen van de aangetekende stukken (oproep, verzoekschrift en beschikking) en dat zij deze op 17 november 1994 ter hand heeft gesteld aan de advocaat die dezelfde dag nog een appelschrift heeft opgesteld, enige tijd later gevolgd door een aanvullend appelschrift.
7. De rechtbank heeft [verzoekster] in haar appel niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van art. 66 (oud) BW. Kort gezegd is de gedachtengang van de rechtbank aldus:
a. het wordt [verzoekster] aangerekend dat zij haar verhuizing niet heeft medegedeeld aan de griffie.
b. nu de griffie de aangetekende stukken verzonden heeft naar het adres waar [verzoekster] op 18 augustus 1994 stond ingeschreven, "ligt het niet bereikt hebben van deze stukken, zo dit al het geval mocht zijn geweest, in de risicosfeer van [verzoekster] ".
c. van enige verschoonbaarheid aan de zijde van [verzoekster] is geen sprake omdat de aangetekende stukken niet door het kantongerecht zijn terugontvangen. De verzendingen moeten geacht worden [verzoekster] te hebben bereikt.
8. . [verzoekster] is van deze beslissing tijdig binnen de door art. 66 (oud) ABW jo art. 426 lid 2 Rv bepaalde termijn van acht weken in cassatie gekomen. Zij heeft een in drie onderdelen verdeeld middel aangevoerd. De gemeente is in cassatie niet verschenen.
Ik teken aan dat de problematiek van verzendingen en oproepingen in verzoekschriftprocedures ook aan de orde is in rekestnrs. 8.660 ( [...] / [...] ) en 8.683 ( [...] / [...] ), in welke zaken ik vandaag eveneens conclusie neem.
Bespreking van het cassatiemiddel
Overgangsrecht
9. Het verzoek van de gemeente in deze zaak heeft betrekking op bijstand die is verleend vóór de inwerkingtreding op 1 augustus 1992 van de wet van 15 april 1992, Stb. 193 tot wijziging van het verhaalsrecht in hoofdstuk IV À van de Algemene Bijstandswet (ABW). Het besluit van de gemeente en het indienen van het verzoekschrift bij het kantongerecht daarentegen dateren beide van ná de invoeringsdatum.
10. Ingevolge de overgangsregeling van de wijzigingswet van 15 april 1992 blijven in een dergelijk geval de oude materieelrechtelijke bepalingen omtrent terugvordering van toepassing. Zie art. VIII, lid 1 eerste zin, zoals uitgelegd door HR 13 januari 1995, NJ 1995, 226 en herhaald in HR 3 maart 1995, NJ 1995, 327. Wat betreft de procedureregels geldt ingevolge art. VIII lid 1 tweede zin in dergelijke gevallen de nieuwe wet, zulks onverminderd het bepaalde in art. X lid 1, dat de inwerkingtreding van enkele nieuwe procedureregels vooralsnog uitsluit en de oude art. 61-66 en 71 ABW handhaaft. Zie overigens ook art. IX van de wet, waarover HR 13 januari 1995, NJ 1995, 251.
11. Krachtens het genoemde art. VIII lid 1 tweede zin jo art. X lid 1 is in het onderhavige geval, voorzover relevant, art. 66 (oud) ABW van toepassing. Het is vooral over deze bepaling, ten dele in verbinding met art. 6:11 Awb, dat in cassatie wordt geklaagd.
Onderdeel I
12. Onderdeel I zoekt aansluiting bij HR 24 april 1992, NJ 1992, 477. Voorzover kenbaar uit de NJ had ook in dat geval de betrokkene noch het verzoekschrift noch een afschrift van de beschikking ontvangen, omdat deze stukken aangetekend waren verstuurd naar een adres waar zij op dat moment niet meer woonde. Of zij toen wel op dat adres stond ingeschreven in het bevolkingsregister heb ik uit de in de NJ gepubliceerde tekst van de beschikking en de conclusie niet kunnen opmaken. Wel blijkt daaruit dat, evenals in het onderhavige geval, de aangetekende stukken niet aan het kantongerecht waren geretourneerd. Voorts was ook in dat geval de betrokkene in de procedure voor de kantonrechter niet verschenen, maar klaagde zij alleen over het niet (tijdig) ontvangen hebben van de beschikking in verband met de ontvankelijkheid in appel.
13. De Hoge Raad oordeelde dat als verzending van een afschrift van een beschikking in de zin van art. 66 jo 67 (oud) ABW niet kan gelden een verzending aan een adres, waar de betrokkene geen woonplaats had, noch terzake van het geding in de voorafgaande instantie woonplaats gekozen had. In casu doet zich deze situatie ook voor: [verzoekster] woonde ten tijde van het verzenden van de beschikking op 13 oktober 1994 op haar nieuwe adres en stond daar ook ingeschreven. Zij heeft nooit woonplaats gekozen op haar oude adres. Indien derhalve de griffier alvorens de beschikking te verzenden navraag had gedaan bij het bevolkingsregister, had hij het nieuwe en niet het oude adres van [verzoekster] vernomen.
14. De Hoge Raad heeft de hiervoor onder 13 weergegeven hoofdregel voorzien van de beperking "tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen". Als bijzondere omstandigheden noemt hij
a. dat aannemelijk is dat het afschrift, hoewel verzonden aan een onjuist adres, de betrokkene toch zonder vertraging van betekenis heeft bereikt;
b. dat de verzending aan het onjuiste adres het gevolg is van een situatie die aan de betrokkene zelf is toe te rekenen, bijvoorbeeld omdat deze het adres zelf heeft opgegeven of een wijziging van het adres niet tijdig heeft gemeld.
15. Ik loop deze uitzonderingen voor het onderhavige geval na. Uitzondering a is niet door de rechtbank vastgesteld. zij heeft integendeel alleen uitgesproken dat de stukken geacht moeten worden [verzoekster] te hebben bereikt, maar of dit daadwerkelijk het geval is heeft zij in het midden gelaten. De beslissing van de rechtbank is gebaseerd op uitzondering b: het is aan [verzoekster] zelf toe te rekenen dat de stukken haar niet hebben bereikt, niet omdat zij zelf haar oude adres zou hebben opgegeven - het is evident dat zij dat niet gedaan heeft -, maar omdat zij haar verhuizing niet aan de griffie heeft gemeld. Ik benadruk dat het in de gedachtengang van de rechtbank niet gaat om de inschrijving van de verhuizing in het bevolkingsregister, maar om een mededeling aan de griffie.
16. Ik meen dat deze eis in casu niet terecht is. [verzoekster] was van de indiening van het verzoekschrift op 3 augustus 1994 niet op de hoogte, althans is het tegendeel niet gesteld, gebleken of door de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag gelegd. Toen zij verhuisde op of omstreeks 9 augustus 1994 wist zij dat evenmin. Hoe kan dan van haar verlangd worden dat zij aan het kantongerecht haar adreswijziging doorgeeft? Waarom zou ze dat doen? Ook daarna was er voor haar geen reden om dit te doen, want ze wist nog steeds niet dat er een procedure tegen haar liep, althans geldt ook hier dat het tegendeel niet is gesteld, gebleken of door de rechtbank aan haar beslissing ten grondslag gelegd. Immers, zoals hiervoor onder 15 gezegd, heeft de rechtbank juist uitdrukkelijk in het midden gelaten of de stukken [verzoekster] ook daadwerkelijk bereikt hebben. Ze heeft alleen geoordeeld dat [verzoekster] geacht moet worden de stukken te hebben ontvangen. [verzoekster] heeft hiertegenover gesteld dat zij de stukken pas op 16 november 1994 in handen heeft gekregen. Niet is vastgesteld of overwogen dat [verzoekster] voordien uit andere hoofde op de hoogte was van de tegen haar lopende procedure.
17. In feite komt het oordeel van de rechtbank er op neer dat omdat [verzoekster] ten tijde van het verzenden van het verzoekschrift op 18 augustus 1994 nog ingeschreven stond op haar oude adres en zij daarna geen adreswijziging naar het kantongerecht heeft gestuurd, de griffier ook de beschikking naar dat oude adres mocht sturen, ook al was [verzoekster] niet in de procedure verschenen en was zij inmiddels daadwerkelijk en officieel verhuisd. Nu de beschikking niet geretourneerd is, komt het beweerde niet ontvangen hebben ervan volgens de rechtbank voor haar risico.
18. Het is deze verbinding tussen de situatie op 18 augustus 1994 en 13 oktober 1994 die in onderdeel I wordt gewraakt. Mijns inziens terecht. De rechtbank heeft een maatstaf aangelegd die, gelet op het grote belang dat geen afbreuk wordt gedaan aan de door de wet beoogde waarborg dat de verzonden beschikking de betrokkene ook daadwerkelijk bereikt, alleen kan opgaan indien [verzoekster] (aanvankelijk) wel in de procedure was verschenen, maar geen melding had gemaakt van haar nieuwe adres en de griffier de aangetekend verzonden beschikking niet had terugontvangen (want indien dat wel zou zijn gebeurd, zou ingevolge art. 6 Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen verzoekschriftprocedure (Besluit OMV) de griffier het adres hebben moeten verifiëren en dan zou hij ontdekt hebben dat [verzoekster] inmiddels elders woonde, waarna hij alsnog de beschikking aangetekend naar het nieuwe adres zou hebben moeten sturen).
19. Het onderhavige geval is betrekkelijk buitenissig, zowel omdat [verzoekster] verhuisd is op een tijdstip tussen het indienen van het verzoekschrift en de toezending ervan door het kantongerecht als omdat de aangetekende stukken niet zijn geretourneerd. Met name dit laatste is belangrijk, omdat het meestal wel gebeurt en het systeem van verzendingen in verzoekschriftprocedures daarop ook in hoge mate is gebaseerd. De griffier mag in beginsel vertrouwen op de inschrijving in het bevolkingsregister (zie recent nog HR 24 maart 1995, NJ 1995, 347). Ontvangt hij desondanks het stuk terug dan verifieert hij het adres in het bevolkingsregister en zendt, afhankelijk van de uitkomst van deze verificatie, het stuk hetzij per gewone brief naar hetzelfde adres (recent HR 24 maart 1995, NJ 1995, 348), hetzij aangetekend naar het nieuwe adres. Zie art. 6 Besluit OMV. Bij een onbekende woon- of verblijfplaats geldt art. 3 Besluit OMV: de rechter dient een andere wijze van oproepen dan wel toezenden te bepalen (HR 21 december 1990, NJ 1991, 234 en HR 12 april 1991, NJ 1992, 215). In het Voorontwerp Aanpassing Rv is het Besluit OMV, voorzover hier relevant, vrijwel ongewijzigd opgenomen in afd. 3.3.
20. Het systeem is grotendeels maar niet helemaal sluitend. Het onderhavige laat als leemte of zwakke stee zien dat aangetekende stukken door anderen in ontvangst kunnen worden genomen zonder dat deze het stuk aan de betrokkene ter hand stellen. Indien verstuurd aan het juiste adres, zal dit in beginsel voor risico van de betrokkene komen. Indien verstuurd aan een verkeerd adres zonder dat deze omstandigheid in de zin van HR 24 maart 1992, NJ 1992, 477 het gevolg is van een situatie die aan de betrokkene zelf is toe te rekenen, meen ik dat dit niet ten nadele van hem of haar mag strekken. De griffie kan dit soort situaties niet vermijden, althans niet zonder onevenredig grote lasten. Daarom moet er ruimte zijn voor de rechter om in deze - weinige - gevallen in te grijpen. Hij moet dan aan de hand van het in ABW-procedures van overeenkomstige toepassing zijnde art. 6:11 jo 6:24 Awb (HR 27 mei 1994, NJ 1994, 609; HR 24 maart 1995, NJ 1995, 347) beoordelen of de betrokkene redelijkerwijs al of niet in verzuim is geweest.
21. Zoals uit het voorgaande blijkt, doet deze situatie zich volgens mij in casu voor. De enkele omstandigheid dat de beschikking verzonden is naar een adres waarop [verzoekster] op 18 augustus 1994 stond ingeschreven en zij geen adreswijziging aan de griffie van het kantongerecht heeft gestuurd, kan in de gegeven omstandigheden waarin zij niet in de procedure is verschenen en zij feitelijk en officieel op het moment van het verzenden van de beschikking van de kantonrechter op 13 oktober 1994 verhuisd was, de beslissing van de rechtbank niet dragen. Ook in samenhang met de omstandigheid dat de aangetekende stukken van 18 augustus 1994 en 13 oktober 1994 niet aan het kantongerecht zijn geretourneerd, wordt dit niet anders, met name niet nu het in casu alleen om laatstgenoemde datum gaat - de verzending van de beschikking - en [verzoekster] op dat moment feitelijk en officieel elders woonde. Bij de toetsing aan art. 6:11 en 6:24 Awb waarbij in beginsel op alle omstandigheden van het concrete geval dient te worden gelet - zie onder meer de noot van Scheltema onder HR 27 mei 1994, NJ 1994, 609 -, moet ook deze omstandigheid in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor de stelling van [verzoekster] dat zij de GSD meteen van haar verhuizing op de hoogte heeft gesteld, dit wil zeggen reeds op een tijdstip dat zelfs de verzending door de griffie van het verzoekschrift op 18 augustus 1994 nog niet had plaatsgevonden. Zie over het belang van deze stelling hierboven in nr. 3, alsook de conclusie van A-G Asser voor HR 27 mei 1994, NJ 1994, 609 sub nr. 3.12 en 3.13. In zoverre acht ik derhalve zowel onderdeel II als III gegrond.
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
( Advocaat-Generaal )