Rolnummer 15.768
Zitting 19 mei 1995
Mr. Vranken
Conclusie inzake
[de man]
tegen
[de vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
Inzet van het geschil in cassatie
1. De onderhavige zaak betreft een geval van "koude uitsluiting" en vergoedingsrechten. De man ([de man]) vordert vergoeding van een bedrag van bijna 2 miljoen gulden, dat hij naar zijn zeggen via bankrekeningen en onroerende goederen op naam van de vrouw heeft gesteld, maar dat aan hem toebehoort.
2. Partijen zijn, nadat ze tevoren reeds 11 jaar hadden samengewoond, op 3 oktober 1967 met elkaar gehuwd. Daags voor hun huwelijk hebben zij huwelijksvoorwaarden laten opmaken, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zonder verrekening (conclusie van repliek, prod. 1).
3. Partijen hebben in de loop van hun samenwoning en huwelijk 7 woningen gekocht en 5 verkocht. De eerste drie woningen waren op naam gesteld van de man, de daarna volgende alle op naam van de vrouw. Volgens de man is dit gebeurd om te voorkomen dat de goederen in handen zouden komen van zijn dochters uit het eerste huwelijk en van zijn crediteuren. Dit laatste heeft hij overigens blijkens r.o. 15 arrest hof pas tijdens het pleidooi in appel betoogd.
4. Ter wille van de overzichtelijkheid, geef ik de woningtransacties in chronologische volgorde kort weer.
a. [a-straat 1]. Gekocht in 1962 op naam van de man voor f. 37.500, -; verkocht in 1965 voor f. 57.500, -.
b. [a-straat 2]. Gekocht in 1968 op naam van de man voor f. 62.000, -; verkocht in 1970 voor f. 130.000, -.
c. [b-straat 1]. Gekocht in 1970 op naam van de man voor f. 90.000, -; verkocht in 1975 voor f. 260.000, -.
d. [c-straat 1]. Gekocht in 1975 op naam van de vrouw voor f. 330.000, -; volgens partijen verkocht in 1987 voor f. 601.250,-, maar volgens het hof voor f. 701.250,- (r.o. 23) .
e. [d-straat 1]. Gekocht in 1986 op naam van de vrouw voor f. 325.000, -.
f. "[B]" in [plaats]. Gekocht op naam van de vrouw in of omstreeks 1978 voor omstreeks f. 180.000, -; verkocht in 1990 voor FF 740.000, -.
g . "[A]" in [plaats]. Gekocht op naam van de vrouw op 2 februari 1990 voor FF 2.160.000,- (r.o. 12 hof) .
5. De man heeft beslag laten leggen op het pand [d-straat 1] en vervolgens bij exploit van 2 juli 1990 de onder 1 vermelde vordering ingesteld met vanwaardeverklaring van het gelegde beslag.
Bij exploit van dezelfde datum heeft hij tevens een procedure tot echtscheiding aanhangig gemaakt. Die procedure is inmiddels geëindigd met de inschrijving op 25 maart 1992 van het echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.
6. Aanvankelijk heeft de man zijn vordering primair gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking en subsidiair op de vergoedingsrechten die, gelet op de huwelijksvoorwaarden, uit de vermogensverschuivingen zijn ontstaan. De rechtbank heeft voor de primaire grondslag tussen echtgenoten geen plaats geoordeeld. Op de subsidiaire grondslag heeft zij de vordering van de man toewijsbaar geoordeeld tot een bedrag van ex aequo et bono f. 1.000.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en met vanwaardeverklaring van het beslag.
7. De vrouw heeft geappelleerd. In appel heeft de man de primaire grondslag laten vallen (r.o. 4 arrest hof). Het hof heeft de vordering van de man slechts toewijsbaar geoordeeld tot een bedrag van f. 490.882,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van inschrijving van het echtscheidingsvonnis op 25 maart 1992. Op een door de vrouw ingediend incidenteel verzoek tot het stellen van zekerheid als bedoeld in art. 54 Rv heeft het hof, voorzover uit de stukken kenbaar, niet beslist. In cassatie is deze kwestie niet meer aan de orde.
8. Kort samengevat heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld:
A. uit de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent "koude uitsluiting" volgt dat wanneer de ene echtgenoot betalingen verricht ten behoeve van de aankoop van een onroerend goed op naam van de andere echtgenoot in beginsel vergoedingsrechten ontstaan. Het hof neemt hetzelfde aan ten aanzien van de stortingen die de man heeft gedaan op de bankrekeningen van de vrouw.
B. de vergoedingsrechten betreffen alleen de nominaal ter beschikking gestelde bedragen (r.o. 6).
C. de onder A genoemde regel dat in de geschetste situatie in beginsel vergoedingsrechten ontstaan, lijdt uitzondering:
c1. indien tussen de echtgenoten anders is overeengekomen ;
C2. indien een en ander is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere;
C3. indien dit voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval.
D. in casu heeft de vrouw een beroep gedaan op de uitzonderingen C2 en C3 (r.o. 9).
E. het hof beslist dat zowel de gelden die de man ter beschikking heeft gesteld voor de aankoop van "[A]" (becijferd op omstreeks f. 360.000,-) als diens stortingen op bankrekeningen van de vrouw in 1988 na de verkoop van zijn bedrijf (onweersproken f. 399.679), betaald zijn ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis (r.o. 10 en 12 resp. 13 en 14 jo r.o. 31 betreffende de omvang van het vermogen) .
F. wat betreft de ongeveer f. 360.000,- voor de aankoop van "[A]" acht het hof het, ook los van een natuurlijke verbintenis, in strijd met de redelijkheid en billijkheid om dit bedrag, dat hij begin februari 1990 ter beschikking heeft gesteld, reeds enkele maanden later in rechte terug te vorderen (r.o. 11).
G. ten aanzien van de tenaamstelling van de woningen [c-straat 1], [d-straat 1] en "[B]" oordeelt het hof dat geen sprake is geweest van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis en dat ook de redelijkheid en billijkheid niet tot een uitzondering op het vergoedingsrecht van de man noopt.
H. ten aanzien van de onder G bedoelde woningen berekent het hof de nominale hoogte van de vergoedingsaanspraak van de man jegens de vrouw op in totaal f. 490.882, -.
I. de stelling van de vrouw dat de aankoop van de [c-straat 1] mede is gefinancierd met van haar afkomstige gelden uit de voorafgaande transacties - hiervoor nr. 4 onder a t/m c) -, wijst het hof af (r.o. 17-19). Ook enkele tegenvorderingen die de vrouw claimt, worden verworpen (r.o. 24 en 29).
9. Het tijdig ingestelde cassatieberoep van de man richt zich in onderdeel I tegen de beslissing van het hof vermeld onder B (jo H). Onderdeel II bestrijdt de beslissing onder E, onderdeel III die onder F, terwijl onderdeel IV (jo I en II) de onder E vermelde r.o. 31 aanvalt. Onderdeel V tenslotte acht onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd de beslissing van het hof omtrent de ingangsdatum van de wettelijke rente. De vrouw heeft tot verwerping geconcludeerd. Elk der partijen heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.
Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
10. Hoewel in cassatie niet bestreden wil ik toch enkele kanttekeningen plaatsen bij de in nr. 8 onder A en C vermelde weergave door het hof van de stand van de rechtspraak inzake koude uitsluiting en vergoedingsrechten. In het arrest […]/[…] (HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150, met vervolg in Hof den Haag 4 november 1988, NJ 1989, 540) is geoordeeld dat tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap hebben uitgesloten, vergoedingsrechten kunnen ontstaan doordat goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of gedeeltelijk zijn gefinancierd met geld van de ander. De Hoge Raad baseert dit oordeel op analoge toepassing van de vergoedingsrechten en - plichten van onder meer art. 1:95 lid 2 BW, 1:96 lid 2 BW en art. 1:127 BW. Dezelfde regel geldt wanneer het betreft goederen die op naam van beide echtgenoten zijn verkregen, maar in overwegende mate door een van hen zijn gefinancierd (HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651). Dezelfde regel zal eveneens van toepassing zijn indien gelden op naam van de ander zijn gesteld zonder dat er goederen voor zijn gekocht. In deze zin ook Luijten in zijn noot onder […]/[…], nr. 2 sub a i.f., alsmede het hof in de onderhavige zaak.
11. Vervolgens heeft de Hoge Raad in […]/[…] uitgesproken dat de vergoedingsrechten op grond van de rechtszekerheid in beginsel strekken tot vergoeding van het nominale bedrag, dit wil zeggen zonder verrekening van de waardevermeerdering of -vermindering, maar dat uitzonderingen op grond van de eisen van de goede trouw niet geheel zijn uitgesloten (r.o. 3.3 en 3.4, herhaald en nader uitgewerkt met betrekking tot de stijging van onroerend goed-prijzen in HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651, r.o. 3.4). Anders gezegd: de uitzondering op grond van de goede trouw is in de genoemde arresten betrokken op de nominale waarde van het vergoedingsrecht.
12. […]/[…] en HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651 hebben beide betrekking op vergoedingsrechten voortvloeiend uit vermogensverschuivingen gedurende het huwelijk. Daarnaast zijn er gevallen waarin geprobeerd is een vergoedingsrecht te verkrijgen zònder voorafgaande vermogensverschuiving, maar juist met het oogmerk een dergelijke vermogensverschuiving ten laste van de vermogende echtgenoot alsnog bij het einde van het huwelijk te bewerkstelligen. Het gaat dan om reallocatie van vermogen na echtscheiding ten behoeve van de niet-vermogende echtgenoot die wel aan de opbouw van het vermogen van de andere echtgenoot zijn of haar steen(tje), direct of indirect, heeft bijgedragen.
13. Het beroep in dit verband op art. 1:81 BW is afgewezen in HR 4 december 1987, NJ 1988, 678 en in HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576. Gestoeld evenwel op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is voor een dergelijk vergoedingsrecht een kleine opening gelaten in HR 25 november 1988, NJ 1989, 529. Geoordeeld is dat ook een krachtens overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zij het dat de enkele omstandigheid dat door de arbeidsinspanning van de vrouw het vermogen van de man is toegenomen, daarvoor niet voldoende is. De beslissing is herhaald in HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576 betreffende de pensioenverrekening bij koude uitsluiting. Toen had, naast andere argumenten, de vrouw te weinig gesteld om aanspraak te kunnen maken op een deel van het pensioen.
14. In het onderhavige geval heeft het hof ook de redelijkheid en billijkheid genoemd (nr. 8 onder F). Bedacht moet echter worden dat dit is gebeurd teneinde het terugdraaien van een tijdens het huwelijk plaatsgevonden hebbende vermogensverschuiving te verhinderen of, anders gezegd, om een op zo'n vermogensverschuiving gebaseerde vergoedingsaanspraak af te weren. In de beide hiervoor vermelde arresten van NJ 1989, 529 en NJ 1991, 576 was het omgekeerde aan de orde: het op grond van redelijkheid en billijkheid proberen te bewerkstelligen dat bij het einde van het huwelijk alsnog een vermogensverschuiving plaatsvindt.
15. Het hof heeft de hiervoor in nr. 8 onder C vermelde uitzonderingen, waaronder de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, vrijwel woordelijk ontleend aan HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191 (derde kamer). De civiele kamer heeft zich in deze zin nog niet uitgesproken, ook niet in het reeds genoemde arrest van HR 10 januari 1992, NJ 1992, 651, waarin (integendeel?) […]/[…] onverkort is herhaald. Tot nu toe heeft de civiele kamer derhalve nog steeds slechts geoordeeld dat een buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot met wiens geld de andere echtgenoot (mede) een goed verkrijgt, recht kan hebben op vergoeding van het nominale bedrag. Wanneer dit uitgangspunt uitzondering lijdt en of dit dezelfde uitzonderingen zijn die de derde kamer heeft genoemd, is derhalve niet zeker. Het zou de duidelijkheid ten goede komen indien de Hoge Raad zich in deze zaak hierover zou uitspreken. Ik geef hiertoe een voorzet of, zo men wil, zet de kwestie op scherp.
16. In casu gaat het alleen om de uitzonderingen C2 en C3.
De uitzondering sub C1 wordt ook door de civiele kamer gemaakt. Zie HR 16 januari 1987, NJ 1987, 912 en HR 26 mei 1989, NJ 1990, 23.
De in C3 genoemde uitzondering van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid behoeft geen probleem op te leveren omdat niet valt in te zien dat zij alleen maar geldt in situaties als bedoeld in […]/[…] (nominaliteit) en in HR 25 november 1988, NJ 1989, 529 (vergoedingsaanspraken zònder voorafgaande vermogensverschuiving), maar niet in situaties als de onderhavige waarin het gaat om het afweren van vergoedingsaanspraken mèt voorafgaande vermogensverschuiving. Wel zal er ook in deze laatste situaties naar huidig positief recht voor de beperkende werking slechts plaats zijn in wat HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576 noemt: exceptionele situaties.
17. Wat betreft de in C2 genoemde uitzondering van een natuurlijke verbintenis geldt mijns inziens het volgende. De civiele kamer van de Hoge Raad heeft erkend dat in sommige gevallen van koude uitsluiting de door de ene echtgenoot ten behoeve van de andere echtgenoot verrichte betalingen kunnen worden aangemerkt als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Zie HR 4 december 1987, NJ 1988, 610. Die beslissing is niet geformuleerd als een uitzondering op de gevolgen van koude uitsluiting. Hoewel ik niet van begripsacrobatiek of woordspelletjes houd, zou ik zo'n formulering ook niet toejuichen, omdat dan het gevaar dreigt dat de natuurlijke verbintenis in hetzelfde kader van exceptionaliteit moet worden geplaatst als de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat lijkt mij niet juist. Ik meen dat de eisen voor een natuurlijke verbintenis in gevallen van koude uitsluiting niet zwaarder of lichter behoren te zijn dan anders. Uiteraard zal bij de vraag of in de concrete omstandigheden van het geval sprake is geweest van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis, ook van belang zijn dat man en vrouw in koude uitsluiting gehuwd zijn, maar dat impliceert op zichzelf nog niet dat er ook een andere maatstaf moet worden gehanteerd.
Uiteraard kan de Hoge Raad dit ook bereiken door weliswaar de natuurlijke verbintenis als een mogelijke uitzondering aan te merken op het ontstaan van vergoedingsrechten, maar daarbij tevens uit te spreken dat die rubricering geen afbreuk doet aan de normale maatstaf voor een natuurlijke verbintenis.
18. Het voorgaande geeft mij aanleiding tot een meer algemene opmerking. Men kan op verschillende manieren de problematiek van de koude uitsluiting met de soms harde gevolgen voor de niet-vermogende echtgenoot benaderen. Uitgaande van bijvoorbeeld de verzorgingsgedachte tussen echtgenoten of van de gedachte dat hetgeen met beider inzet is verworven ook naar evenredigheid of gelijkheid moet worden verdeeld, zal men tot andere resultaten komen dan wanneer men kiest voor een benaderingswijze die zoveel mogelijk aansluit bij het algemene overeenkomsten- en verbintenissenrecht. Het sterk rechtsvergelijkende Belgische proefschrift van A. Verbeke, Goederenverdeling bij echtscheiding, 1991, p. 288-393 verschaft hierover veel informatie met veel verwijzingen, ook naar de Nederlandse literatuur van o.m. Schoordijk en Van Mourik. Wat daarbij opvalt - zij het dat het niet verwondert, maar het is wel nuttig om te vermelden -, is hoe zeer de aanvaardbaarheid van dogmatische constructies en rechtsfiguren bepaald wordt door de initiële benadering waarvoor men kiest (of die men volgt). In de ene benadering wordt de toepasselijkheid van bepaalde constructies beperkter, gemakkelijker of vanzelfsprekender geaccepteerd dan in de andere.
19. De keuze die de Hoge Raad heeft gemaakt en in latere arresten heeft bevestigd, is, als ik goed zie, die van het zoveel mogelijk aansluiten bij het algemene overeenkomsten- en verbintenissenrecht. Dit brengt mee dat het nominaliteitsbeginsel, de onvoorziene omstandigheden, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, de natuurlijke verbintenis, het aannemen van stilzwijgende, van de huwelijkse voorwaarden afwijkende overeenkomsten en de ingangsdatum van de wettelijke rente niet gehanteerd mogen worden als instrumenten om de werking van de koude uitsluiting te korrigeren met het oog op bijvoorbeeld de verzorgingsgedachte of met het doel om een afrekening naar inzet te bewerkstelligen. Al deze kwesties dienen aan de hand van de algemene maatstaven te worden beslist, zij het dat dit uiteraard moet gebeuren in de omstandigheden van het geval en daartoe behoort ook dat partijen in koude uitsluiting zijn gehuwd. In zoverre kleuren de opvattingen over de werking van de koude uitsluiting onvermijdelijk
mede de beslissing, maar ze leiden niet - zie hiervoor nr. 17 - tot andere maatstaven.
Onderdeel 1 ( jo onderdeel 4)
20. Onderdeel 1 verwijt het hof het recht te hebben geschonden door de uitzondering op de nominaliteit van de vergoedingsaanspraak niet toe te passen, althans zou het hof in zijn motiveringsplicht tekort zijn geschoten tegenover de door de man in de feitelijke instanties aangevoerde argumenten voor de wèl toepasselijkheid van de uitzondering in het onderhavige geval. Meer in het bijzonder zou hij in dit verband hebben gewezen op de vermogenssituatie van beiden: de vrouw alles en hij niets.
21. De klacht mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in r.o. 5 eindvonnis geoordeeld dat de man geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die een uitzondering op de nominaliteit van zijn vergoedingsaanspraak zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank heeft vervolgens in r.o. 8 de vergoedingsaanspraak berekend naar de nominale waarde. Daartegen is de man in appel niet opgekomen, ook niet voorwaardelijk. De beslissing van de rechtbank kwam, zoals hij zelf in de memorie van antwoord, p. 32 heeft gesteld, tegemoet aan hetgeen hij wilde, te weten de helft van het vermogen van f 2 miljoen. In die situatie stond het het hof niet vrij om ambtshalve te toetsen of er wellicht redenen waren voor een uitzondering op de nominaliteit van de vergoedingsaanspraken.
22. Overigens geeft de beslissing van het hof ook inhoudelijk geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. De vergoedingsaanspraken die het hof heeft toegewezen, hebben betrekking op onroerend goed. Ten aanzien daarvan heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 10 januari 1992, NJ 1992, 651 geoordeeld dat de ontwikkeling van de laatste tientallen jaren op de onroerend goed-markt in Nederland waardoor woningen sterk in waarde zijn gestegen of gedaald, niet een uitzondering als bedoeld in […]/[…] rechtvaardigt. Het berechte geval had betrekking op een situatie waarin met geld van (vooral) de één een woning was verkregen op naam van beide echtgenoten. Ieder der partijen deelde voor de helft mee in de stijging of daling van de waarde, aldus de Hoge Raad. Kraan interpreteert in zijn Het nieuwe huwelijksvermogensrecht, 1994, p. 129 deze beslissing aldus dat zij in feite altijd een verrekening van waardestijging en -daling bij onroerend zal verhinderen, ook - zo begrijp ik hem - in gevallen als de onderhavige waarin de woning op naam van slechts één partij is gesteld.
23. In het midden latend of deze conclusie niet te ver gaat, meen ik dat in ieder geval in het onderhavige geval niet voldaan is aan de hoge eisen die […]/[…] voor het maken van een uitzondering stelt. Er moet tengevolge van onvoorziene omstandigheden sprake zijn van een verbreking van het evenwicht tussen de vordering tot terugbetaling van de destijds verschafte en nadien in koopkracht verminderde geldsom enerzijds en een uitzonderlijk gunstig resultaat van de belegging anderzijds. Wat betreft de onvoorziene omstandigheid komt het er hierbij op aan dat deze van dien aard is dat de echtgenoot op wiens naam het huis staat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat hij met de enkele teruggave van het destijds ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning kan volstaan. Kortom, de uitzondering is inderdaad (HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 576) tot exceptionele gevallen beperkt. Zodanig geval doet zich hier niet voor, ook niet in verbinding met r.o. 31.
24. Het hof heeft in r.o. 31, voorzover hier van belang, geoordeeld dat de vermogenssituatie van partijen niet relevant is voor de beslissing omtrent de vergoedingsrechten, dit wil zeggen voor de vraag of een uitzondering op de nominaliteit gerechtvaardigd is. Onderdeel 4 jo 1 bestrijdt deze beslissing tevergeefs. De uitzondering van […]/[…] zoals hiervoor weergegeven in nr. 22, is toegesneden op onvoorziene omstandigheden tengevolge waarvan een onevenredigheid ontstaat tussen het ter beschikking gestelde bedrag en het daarmee behaalde beleggingsresultaat. Dat is iets anders dan een op basis van een vergelijking van de vermogenssituatie na verrekening toe te passen korrektie. Voor een dergelijke achteraf- korrektie is in de benaderingswijze die zoveel mogelijk aansluit bij het algemene overeenkomsten- en verbintenissenrecht geen plaats.
Onderdeel 2 (jo onderdeel 4)
25. Onderdeel 2 bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten de beslissingen van het hof dat de f. 360.000,- die de man in 1990 aan de vrouw ter beschikking heeft gesteld voor de aankoop van "[A]" en de f. 399.679,- die de man begin 1988 na verkoop van zijn bedrijf heeft overgeboekt naar de bankrekening van de vrouw, moeten worden aangemerkt als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis.
26. Ik stel voorop dat het hof zijn beslissing dat sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis niet reeds heeft afgeleid uit de omstandigheid dat de man de goederen en gelden op naam van de vrouw heeft gesteld om te voorkomen dat ze in handen zouden komen van zijn dochters (waarmee alleen bedoeld kan zijn: na zijn vooroverlijden) en van zijn crediteuren. Zie uitdrukkelijk ontkennend r.o. 15: de vrouw mocht er volgens het hof niet op rekenen dat de vermogensoverdrachten definitief waren en nooit meer teruggedraaid zouden mogen worden. Pas eind 1987, zo begrijp ik het hof, kwam hierin een omslag omdat de man toen zijn bedrijf had verkocht en het crediteursargument niet meer speelde.
27. Wat betreft het bedrag van f. 399.679,- baseert het hof zijn oordeel dat sprake was van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis op het gegeven dat de betalingen uit vrije wil en welbewust zijn geschied en dat de man naar eigen zeggen vond dat het zo hoorde. Mede gelet op het wegvallen van de noodzaak van de man tot bescherming van zijn vermogen tegen crediteuren houdt het hof het er voor dat de man heeft willen voldoen aan een door hem zelf als dringend gevoelde morele verplichting om te zorgen voor de oude dag van de vrouw. Wellicht, aldus het hof, speelde ook het vooruitzicht van een scheiding al een rol, want volgens de eigen stellingen van de man was de breuk in het huwelijk al jaren aanwezig.
28. Dat het ter beschikking stellen van een bedrag voor de aankoop van "[A]" van f. 360.000,- moet worden aangemerkt als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis, baseert het hof op de omstandigheid dat de man volgens zijn eigen stellingen op dat moment reeds een echtscheiding overwoog, maar dat hij nog aarzelde. Het hof vermeldt ook het leeftijdsverschil van man en vrouw (resp. 71 en 61 jaar oud), alsmede dat de aankoop van "[A]" geschiedde ter vervanging van het reeds verkochte appartement "[B]". Om die redenen houdt het hof het ervoor dat de man het als een dringende morele verplichting heeft gevoeld er voor te zorgen dat de vrouw na echtscheiding en in ieder geval na zijn overlijden zou beschikken over een woning in [plaats].
29. Onderdeel 2 bevat onder meer de klacht dat het hof slechts de subjectieve bedoelingen van de man als maatstaf voor een natuurlijke verbintenis heeft gehanteerd en ten onrechte niets heeft vastgesteld omtrent de vraag of naar objectieve maatstaven sprake was van een dringende morele verplichting enerzijds en een dringende morele aanspraak anderzijds. De term "het hof houdt het ervoor" in r.o. 10 en 13 zijn volgens de man voor het oordeel dat sprake is van een natuurlijke verbintenis niet voldoende.
30. Heersende leer en vaste rechtspraak is dat niet het subjectieve inzicht van degene die gebonden is, beslissend is, maar dat een objectieve maatstaf - dit wil zeggen: naar maatschappelijke opvattingen (thans art. 6:3 BW) - moet worden aangelegd, zowel aan de passieve zijde als aan de actieve zijde van de verbintenis. Vergelijk o.m. HR 9 november 1990, NJ 1992, 212 waarin aan het subjectieve inzicht van de betrokkene te veel gewicht werd toegekend, alsmede Asser-Hartkamp, 4 I, 1992, nr 71 en Verbintenissenrecht (Huijgen), art. 3, aant. 7 en 8. Ik meen dat in het onderhavige geval vrijwel uitsluitend de door het hof aan de man toegeschreven subjectieve bedoelingen voor het hof doorslaggevend zijn geweest. Men kan hiertegen inbrengen dat het hof in r.o. 14 toch ook meer objectieve gezichtspunten noemt - langdurige samenwoning, de grote welstand waarin man en vrouw in de loop van de tijd waren komen te leven, de wederzijdse vermogenssituatie en het weduwenpensioen van f. 75.000,- per jaar na overlijden van de man -, maar deze gezichtspunten worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de hoogte van de als natuurlijke verbintenis voldane bedragen, niet om te bepalen òf sprake is van een natuurlijke verbintenis.
31. Hierbij komt het volgende, althans en in ieder geval geldt het volgende. Het hof heeft in r.o. 31 geoordeeld dat weliswaar de vermogenssituatie van partijen bij zijn oordeel over het bestaan van een natuurlijke verbintenis relevant is, maar dat een concrete vaststelling niet nodig is en dat volstaan kan worden met een ruwe schatting. Onderdeel 4, zoals toegelicht in cassatie, verwijt het hof onder meer deze ruwe schatting die het zelf nodig achtte, niet te hebben verricht. Ik acht dit onderdeel gegrond. Het hof heeft veel bedragen genoemd, veel rekenwerk verricht, maar ik ben niet in staat om daaruit een adequate schets van de vermogenssituatie van partijen af te leiden. Wat ik er wel uit kan afleiden, maakt de beslissing van het hof niet inzichtelijker. Ik geef één voorbeeld. De vrouw heeft bij de verkoop van de [c-straat 1] in 1987 een bedrag van f. 437.620,- op haar rekening ontvangen (r.o. 23). Ze was toen ook al eigenaresse van de [d-straat 1] en van "[B]". Begin 1988 is daarenboven bij de verkoop van het bedrijf van de man nog eens bijna f. 400.000,- op haar rekening bijgeschreven. Zou zij dan in 1990 naar objectieve maatstaven ook nog een dringende morele aanspraak jegens de man hebben op f. 360.000,- als bijdrage voor de aankoop van "[A]" resp. zou op de man dan ook nog een dringende morele verplichting voor zo'n bedrag jegens de vrouw rusten? Ik acht het niet uitgesloten, maar het zal toch mede afhangen van de vermogenssituatie van de man. Dienaangaande heeft het hof evenwel niets vastgesteld of aangegeven. Kortom, het hof verwijst in r.o. 14 wel naar de wederzijdse vermogenssituatie en het zegt in r.o. 31 wel dat een ruwe schatting voldoende is, maar hoe die ruwe schatting van de wederzijdse vermogenssituatie en met name die van de man er uit ziet, heb ik uit het arrest niet kunnen achterhalen. Na verwijzing zal alsnog op de wederzijdse vermogenssituatie dienen te worden ingegaan.
Onderdeel 3
32. Onderdeel 3 keert zich tegen de beslissing van het hof in r.o. 11 dat, ook los van de natuurlijke verbintenis, het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om eerst geld ter beschikking te stellen voor de aankoop van "[A]" en dit bedrag vervolgens binnen vijf maanden weer in rechte terug te vorderen. Onder verwijzing naar hetgeen ik hiervoor onder nr. 14, 16 en 19 heb geschreven, is de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid beperkt tot exceptionele situaties. De enkele omstandigheid dat er slechts een kort tijdsverloop is geweest tussen het ter beschikking stellen van de gelden en het terugvorderen ervan bij wege van vergoedingsaanspraak uit hoofde van het huwelijksgoederenregiem, levert volgens mij niet een dergelijke exceptionele situatie op, althans niet zonder meer. Het hof heeft in r.o. 11 hetzij blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting hetzij zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd. Ik lees in onderdeel 3 hierop gerichte klachten en acht het derhalve gegrond.
Onderdeel 5
33. Ook onderdeel 5 acht ik gegrond. Het hof heeft de wettelijk rente niet doen ingaan op de dag van de inleidende dagvaarding, maar pas op de datum van de ontbinding van het huwelijk. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van redelijkheid en billijkheid, omdat een groot deel van de door de man aan de vrouw ter beschikking gestelde bedragen met zijn instemming en medewerking geïnvesteerd zijn in onroerende zaken die door partijen, en na het vertrek van de man, door de vrouw als woning zijn gebruikt.
34. Uitgaande van de opeisbaarheid van de vergoedingsaanspraak had de man in beginsel recht op wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding. Van afwijking van deze regel van art. 1286 lid 3 (oud) BW wil de Hoge Raad niet snel weten. Zie onder meer HR 1 februari 1985, NJ 1985, 560 en de noot van Van der Grinten onder het arrest. Zie voorts Verbintenissenrecht (Rank), ad art. 119, aant. 4 en de rechtspraak genoemd in Asser-Hartkamp, 4 I, 1992, nr. 523, waaraan toe te voegen HR 12 juni 1992, NJ 1993, 133 en HR 16 september 1994, NJ 1995, 8. In het onderhavige geval zou ik aan deze duidelijke lijn willen vasthouden, ook al in verband met hetgeen ik in nr. 19 heb geschreven.
35. De Hoge Raad kan de kwestie van de wettelijk rente niet zelf afdoen, omdat het hof de opeisbaarheid van de vergoedingsaanspraak, waarvan de ingangsdatum van de wettelijke rente (mede) afhangt, in het midden heeft gelaten (r. o. 33). Over die omstreden vraag - zie Asser-Moltmaker-De Ruiter, 1992, nr. 456 - zal derhalve alsnog na verwijzing dienen te worden beslist.
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,