Rolnummer 16 043
Zitting 18 oktober 1996
mr De Vries Lentsch - Kostense
Conclusie inzake
[eiseres]
Tegen
1. Verenigde Autobusdiensten N.V.
2. [verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
Inleiding
1. Op 8 november 1989 is de zevenentwintig jarige [betrokkene 1], echtgenoot van thans eiseres tot cassatie [eiseres], dodelijk verongelukt toen hij op de Europaweg te Apeldoorn - ter hoogte van de kruising met de Ugchelsegrensweg - met de door hem bestuurde motorfiets in botsing kwam met de door thans verweerder in cassatie sub 2, [verweerder], bestuurde autobus. Deze autobus behoorde toe aan thans verweerster in cassatie sub 1, VAD, werkgever van [verweerder]. (In de cassatiedagvaarding wordt gesproken van "Vereniging Autobusdiensten N.V.", in de stukken van eerste aanleg en appel van "Verenigde Autobusdiensten N.V.". )
Omtrent de toedracht van dit tragische verkeersongeval is het volgende komen vast te staan:
- Het ongeval vond plaats omstreeks 17.20 uur; het was donker en het regende.
- [betrokkene 1] reed kort voor de aanrijding met zijn motorfiets op de linker rijstrook van de oostelijke rijbaan van de Europaweg, een vierbaansweg met middenberm. [verweerder] reed met de autobus op de westelijke rijbaan van genoemde weg in tegenovergestelde richting.
- Ter hoogte van de T-kruising met de Ugchelsegrensweg (de kruising waar het ongeval plaatsvond) heeft [verweerder], rijdend op de westelijke rijbaan, voorgesorteerd met de bedoeling naar links af te slaan naar de Ugchelsegrensweg. Vervolgens is [verweerder] daadwerkelijk naar links afgeslagen, waarbij hij de oostelijke rijbaan overstak waar [betrokkene 1] reed.
- Tijdens dat oversteken is [betrokkene 1] met zijn motorfiets in botsing gekomen met het achterste gedeelte van de autobus dodelijk verongelukt.
- De Europaweg ligt buiten de bebouwde kom en is ter plaatse aangeduid als voorrangsweg; er geldt een maximumsnelheid van 80 km per uur. Aan beide zijden van de oostelijke rijbaan (de rijbaan waarop [betrokkene 1] reed), 117 meter voor het kruisingsvlak met de Ugchelsegrensweg, zijn verkeersborden aangebracht waarop een snelheidslimiet van 70 km per uur is aangegeven.
- De weg is ter plaatse recht, de kruising overzichtelijk en ten tijde van het ongeval verlicht door straatlantaarns.
2. [eiseres] heeft gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat VAD en [verweerder] op grond van onrechtmatig handelen volledig aansprakelijk zijn voor alle door haar geleden schade alsmede dat VAD en [eiseres] zullen worden veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Zij heeft daartoe gesteld dat [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld door de hem tegemoet rijdende [betrokkene 1] in strijd met art. 46 RVV (oud) geen voorrang te verlenen en de kruising over te steken toen [betrokkene 1] deze zo dicht was genaderd dat hij de autobus niet meer kon ontwijken.
VAD en [verweerder] hebben daarentegen met name aangevoerd dat [verweerder] geen enkel verwijt treft nu hij [betrokkene 1] geen voorrang heeft kunnen verlenen omdat deze met zijn motor zo snel is genaderd - met een snelheid van 100 à 120 km per uur - dat hij ([verweerder]) deze niet tijdig heeft kunnen opmerken met name ook doordat [betrokkene 1] met zijn motor nog achter een andere auto reed toen [verweerder] zijn oversteekmanoeuvre inzette. Die auto bevond zich toen nog op zodanige afstand van het kruisingsvlak dat [verweerder] ruim voorlangs heeft kunnen oversteken. Zij betogen dat het ongeval geheel te wijten is aan de schuld van [betrokkene 1] nu het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden ingeval deze zich aan de ter plaatse geldende snelheid zou hebben gehouden. Subsidiair beroepen zij zich op eigen schuld van de (veel) te hard rijdende [betrokkene 1], welke schuld zo groot is dat de eventuele schuld van [verweerder] daarbij in het niet valt, althans veel groter is dan diens schuld.
[eiseres] heeft betwist dat [betrokkene 1] zo hard heeft gereden als door [verweerder] en VAD wordt gesteld; zij heeft voorts nog aangevoerd dat [verweerder] [betrokkene 1] zeker moet hebben gezien en dat [verweerder] op snelheidsovertredingen bedacht had moeten zijn althans voor zover deze - zoals in casu, aldus [betrokkene 1] - binnen redelijke grenzen zijn gebleven.
3. De Rechtbank Zutphen heeft op 10 februari 1994 een tussenvonnis gewezen waarbij VAD en [verweerder] wordt opgedragen te bewijzen dat [betrokkene 1] met zijn motor bij het naderen van de kruising harder heeft gereden dan 100 respectievelijk 70 km per uur. Deze beslissing berust op de volgende overwegingen:
- De getuigenverklaringen opgenomen in het door de politie opgemaakte proces-verbaal geven onvoldoende uitsluitsel om te kunnen beoordelen hoe hard [betrokkene 1] kort voor de kruising heeft gereden.
- Aan [verweerder] valt alleen dan geen verwijt te maken ingeval komt vast te staan dat [betrokkene 1] bij de nadering van de kruising harder heeft gereden dan 100 km per uur. [verweerder] diende immers bij het oversteken van de voorrangsweg in beginsel ook rekening te houden met "schuilgaande inhalende voertuigen". Voorts diende [verweerder] bij het oversteken van de voorrangsweg in beginsel rekening te houden met de mogelijkheid dat een verkeersdeelnemer op die voorrangsweg de aldaar geldende snelheidslimiet overschrijdt. Dit is slechts anders ingeval die snelheidslimiet zo ernstig wordt overschreden dat [verweerder] een zo abnormaal snelle nadering van een tegenligger niet behoefde te verwachten. In casu is daarvan sprake ingeval [betrokkene 1] bij het naderen van de kruising harder heeft gereden dan 100 km per uur.
- Om proceseconomische redenen wordt reeds ingegaan op de vraag in hoeverre aan [betrokkene 1] eigen schuld valt te verwijten. Ingeval komt vast te staan dat [betrokkene 1] de vanaf 117 meter voor de kruising geldende snelheidslimiet van 70 km per uur bij het naderen van de kruising heeft overschreden, is er aanleiding om de eventuele schadevergoedingsplicht van VAD en Scholten te verminderen. De mate waarin vermindering dient plaats te vinden hangt af van hetgeen komt vast te staan omtrent de snelheid waarmee [betrokkene 1] de kruising is genaderd.
4. Bij arrest van 4 april 1995 wordt dit tussenvonnis vernietigd door het Hof te Arnhem; naar het oordeel van het Hof is het aan [eiseres] te bewijzen "dat [betrokkene 1] bij het naderen van de kruising met een snelheid van minder dan 70 respectievelijk 85 kilometer per uur heeft gereden". De zaak wordt teruggewezen naar de Rechtbank Zutphen. 's Hofs beslissing berust op de volgende overwegingen:
- Het Hof deelt het standpunt van de Rechtbank dat [verweerder] bij het linksaf gaan in beginsel voorrang diende te geven aan het tegemoet komende verkeer. Deze verplichting gaat echter - anders dan de Rechtbank oordeelde - niet zo ver dat [verweerder] ook rekening ermee moest houden dat op het moment waarop het - gelet op het voor hem zichtbare verkeer - verantwoord was af te slaan, mogelijk achter een voor hem zichtbare, hem tegemoetkomende, auto zich een voor hem op dat moment onzichtbare motor zou bevinden die vervolgens achter die auto vandaan zou schieten en deze met een zo hoge snelheid zou inhalen dat hij de inmiddels afslaande bus niet meer zou kunnen ontwijken. De eerste appelgrief slaagt derhalve. Dit betekent echter niet zonder meer dat [eiseres] vordering moet worden afgewezen nu nog niet vaststaat dat [betrokkene 1] voor [verweerder] onzichtbaar was toen deze zijn oversteekmanoeuvre inzette. Alvorens hieromtrent verder te beslissen worden eerst de overige grieven behandeld.
- [verweerder] diende bij het linksaf gaan binnen de grenzen van het redelijke rekening houden met de mogelijkheid dat de door hem waargenomen tegenliggers de aldaar geldende snelheidslimiet overtraden. Bij de beantwoording van de vraag bij welke snelheid die grenzen zijn overschreden is van belang dat op een afstand van 117 meter voor het kruisingsvlak de algemeen geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur is teruggebracht tot 70 km per uur. Deze bijzondere snelheidsbeperking houdt kennelijk verband met de nadering van een bijzondere verkeerssituatie. Gelet hierop behoefde [verweerder] die op de hoogte was van die (voor [betrokkene 1] geldende) maximumsnelheid van 70 km, geen rekening ermee te houden dat weggebruikers komend vanuit de tegenovergestelde richting de kruising zouden naderen met een snelheid die het daar toegestane maximum met meer dan ongeveer 20 % zou overschrijden. Aan [verweerder] kan derhalve geen verwijt worden gemaakt van de aanrijding indien [betrokkene 1] de kruising is genaderd met een snelheid van meer dan 85 km per uur. Ook de derde grief is derhalve terecht voorgedragen.
- Uit de getuigenverklaringen opgenomen in het proces-verbaal van politie kan het "vermoeden" worden geput niet alleen dat [betrokkene 1] tijdens het inhalen heeft gereden met een snelheid van meer dan 85 km per uur, doch tevens - nu geen der ooggetuigen heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat [betrokkene 1] voordat hij de kruising naderde vaart minderde - dat [betrokkene 1] ook de kruising is genaderd met een snelheid die (nog steeds) hoger was dan 85 kilometer per uur. Derhalve is het aan [eiseres] om te bewijzen dat [betrokkene 1] bij het naderen van de kruising met een snelheid van minder dan 70 respectievelijk 85 kilometer per uur heeft gereden.
5. [eiseres] stelt tijdig cassatieberoep in. VAD en [verweerder] concluderen tot verwerping van het beroep. Beide partijen lichten de zaak schriftelijk toe.
Het cassatiemiddel
6. Middelonderdeel 1 komt op tegen 's Hofs oordeel dat [verweerder] geen rekening ermee behoefde te houden dat op het moment waarop het - gelet op het voor hem zichtbare verkeer - verantwoord was af te slaan, zich achter een voor hem zichtbare, hem tegemoet komende, auto een voor hem op dat moment onzichtbare motor zou bevinden die vervolgens achter die auto vandaan zou schieten en deze met een zo hoge snelheid zou inhalen dat hij de inmiddels afslaande bus niet meer zou kunnen ontwijken. Dit middelonderdeel richt zich daarmee tegen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel en daarmee tegen een eindbeslissing. Daaraan doet niet af dat het Hof vervolgens in het midden heeft gelaten of [eiseres] vordering dan ook moet worden afgewezen. Het Hof heeft de beslissing op dit punt immers aangehouden omdat nog niet vaststond dat [betrokkene 1] werkelijk voor [verweerder] onzichtbaar was op het moment waarop deze zijn oversteekmanoeuvre inzette; aan het bindende karakter van 's Hofs hiervoor genoemde oordeel doet dat niets af. [eiseres] is derhalve met betrekking tot middelonderdeel 1 ontvankelijk in haar beroep. Hetzelfde geldt overigens voor de overige middelonderdelen; ik kom daarop terug bij de bespreking van die onderdelen. Zie over eindbeslissingen en voorlopige beslissingen Hugenholz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1996, nr. 88 en de losbladige editie rechtsvordering, art. 46 aantek. 5 en 6 (Jansen) en art. 337, aantek. 3 en 4 (Wedeven). Ik verwijs hier voorts naar Uw arresten van 5 januari 1996, RvdW 1996, 24, van 11 november 1994, NJ 1996, 376, m.nt. CJHB, van 26 januari 1996, NJ 1996, 361, van 30 september 1994, NJ 1996, 199, m.nt. CJHB, van 24 september 1993, NJ 1994, 226 en van 24 september 1993, NJ 1994, 227, m.nt. HER, alsmede van 21 juni 1991, NJ 1991, 710.
7. Het eerste middelonderdeel betoogt dat 's Hofs aangevallen oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft miskend - aldus dit middel - dat [verweerder] verplicht was voorrang te verlenen aan alle verkeersdeelnemers die hem tegemoet kwamen ook al kon hij deze niet zien op het moment waarop hij naar links afsloeg; in het verkeer moet men immers ook bedacht zijn op verkeersdeelnemers die niet waarneembaar zijn tenzij de aanwezigheid van die verkeersdeelnemer en diens handelwijze zo onwaarschijnlijk zijn dat men daarmede in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Daarbij geldt - aldus dit middelonderdeel - dat men erop bedacht moet zijn dat ook onzichtbare verkeersdeelnemers met een hogere snelheid zullen rijden dan toegestaan, zodat niet iedere overschrijding van de plaatselijke snelheid doch slechts een ernstige overschrijding daarvan rechtens tot gevolg heeft dat van eigen schuld van de voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer kan worden gesproken.
's Hofs oordeel is onbegrijpelijk voor zover het Hof bedoeld mocht hebben dat [betrokkene 1] met een snelheid reed waarop [verweerder] niet bedacht behoefde te zijn aangezien - aldus het middel - niet vaststond met welke snelheid de motorrijder heeft gereden. 's Hofs oordeel is voorts onbegrijpelijk voor zover het Hof bedoeld mocht hebben dat [verweerder] geen enkel verwijt gemaakt kan worden omdat hij de motorrijder niet kon zien; [verweerder] diende immers rekening te houden met de omstandigheid dat de rijweg door zijn manoeuvre enige tijd geblokkeerd zou zijn zodat het moment waarop [verweerder] zijn manoeuvre inzette op zichzelf niet bepalend kan zijn. Aldus nog steeds dit middelonderdeel.
8. Kennelijk en terecht is het Hof ervan uitgegaan dat de niet-inachtneming van de - in art. 46 RVV (oud) neergelegde - verplichting van een naar links afslaande bestuurder om het tegemoet komende verkeer niet te hinderen, niet medebrengt dat als een botsing plaatsvindt die bestuurder eo ipso aan die botsing schuld heeft. Van verwijtbaarheid kan geen sprake zijn ingeval moet worden vastgesteld dat de bestuurder in de gegeven omstandigheden van het geval niet ervan had behoeven af te zien om naar links af te slaan. Ik verwijs hier naar Uw arrest van 5 oktober 1979, NJ 1980, 68 en VR 1980, 28 m.nt. Bouman. Zie ook de annotatie van Bouman onder het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 29 februari 1972, VR 1973, 80 (p. 307). Voor zover het middelonderdeel van een andere opvatting uitgaat faalt het.
Aan het middel kan worden toegegeven dat men in het verkeer bedacht moet zijn op fouten van andere verkeersdeelnemers, die van het slachtoffer daaronder begrepen; het enkele feit dat het ongeval mede door een dergelijke fout is veroorzaakt brengt dan ook niet mee dat van verwijtbaarheid geen sprake is. Dat is echter anders - ook het middel refereert daaraan - ingeval de betreffende fout zo onwaarschijnlijk is dat daarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te worden gehouden. Ik verwijs hier met name naar Uw arresten van 15 januari 1993, NJ 1993, 568 m.nt. CJHB en van 22 mei 1992, NJ 1992, 527.
Voor zover het middel klaagt dat het Hof dit heeft miskend, faalt het reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers geoordeeld dat [verweerder] - ingeval [betrokkene 1] voor hem onzichtbaar was - geen verwijt treft omdat hij in redelijkheid niet erop bedacht behoefde te zijn dat op het moment waarop het - gelet op het voor hem zichtbare verkeer - verantwoord was af te slaan zich mogelijk achter een voor hem zichtbare, tegemoetkomende, auto een voor hem op dat moment onzichtbare motor zou bevinden die vervolgens achter die auto vandaan zou schieten en deze met een zo hoge snelheid zou inhalen dat hij de inmiddels afslaande bus niet meer zou kunnen ontwijken. 's Hofs oordeel dat [verweerder] met een dergelijke roekeloze inhaalmanoeuvre in de gegeven omstandigheden - waaronder deze dat hij ([verweerder]) [betrokkene 1] niet kon zien - geen rekening behoefde te houden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de juiste maatstaf aangelegd. Ik acht 's Hofs oordeel evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Wegens de verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard is 's Hofs oordeel in cassatie verder niet op zijn juistheid te toetsen.
Zo moet ook falen de klacht dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is voor zover het Hof bedoeld mocht hebben dat [betrokkene 1] met een zodanig hoge snelheid reed dat [verweerder] daarmee geen rekening behoefde te houden. Het Hof beschouwt de snelheid waarmee [betrokkene 1] reed in de hier aangevallen overweging immers niet op zichzelf als de verkeersfout waarop [betrokkene 1] in redelijkheid niet bedacht behoefde te zijn. Naar 's Hofs oordeel behoefde [verweerder] - ik merkte dat reeds op - niet bedacht te zijn op de roekeloze inhaalmanoeuvre van [betrokkene 1] die daarin bestond dat hij achter de voor hem rijdende auto vandaan schoot om deze auto met een zo hoge snelheid te passeren dat hij de bus die de rijbaan was gaan oversteken op een wijze die - gelet op het overige verkeer - ook verantwoord was, niet meer kon ontwijken. Dat [betrokkene 1] de voor hem rijdende auto met een zodanige snelheid passeerde dat hij de autobus niet meer kon ontwijken, is niet betwist.
Eveneens faalt de klacht dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is voor zover het Hof bedoeld mocht hebben dat [verweerder] geen enkel verwijt gemaakt kan worden omdat hij de motorrijder niet kon zien aangezien hij - aldus het middel - erop bedacht diende te zijn dat met zijn eigen manoeuvre enige tijd gemoeid zou zijn. Het Hof heeft zijn oordeel - zoals gezegd - gebaseerd op de omstandigheid dat [verweerder] in redelijkheid geen rekening behoefde te houden met de inhaalmanoeuvre van [betrokkene 1] en op de omstandigheid dat het gelet op het overige verkeer verantwoord was naar links af te slaan, een manoeuvre waarmee - vanzelfsprekend - enige tijd was gemoeid. Dat oordeel is - zoals gezegd - onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.
9. Middelonderdeel 2 komt op tegen 's Hofs oordeel dat aan [verweerder] geen verwijt kan worden gemaakt indien [betrokkene 1] - door [verweerder] wel waargenomen - de kruising is genaderd met een snelheid van meer dan 85 km per uur. Ook dit oordeel is naar het mij voorkomt te kwalificeren als een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing zodat het cassatieberoep ook op dit onderdeel ontvankelijk is. 's Hofs beslissing verschilt in die zin ook van de beslissing die aan de orde was in Uw hiervoor reeds genoemde arrest van 21 juni 1991, NJ 1991, 710.
Het middel klaagt dat 's Hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangezien slechts een ernstige overschrijding van de snelheid waarmee in redelijkheid geen rekening behoefde te worden gehouden rechtens tot gevolg heeft dat van eigen schuld van de motorrijder [betrokkene 1] sprake is. Bovendien heeft een ernstige overschrijding - aldus het middel - niet rechtens tot gevolg dat [verweerder] geen enkel verwijt treft en dat het ongeval in het geheel niet aan het niet-verlenen van voorrang kan worden toegeschreven. Aangezien het Hof geen onderscheid maakt tussen een aanzienlijke overschrijding en een geringe overschrijding is 's Hofs oordeel niet naar de eisen van de wet gemotiveerd. Aldus het middel.
10. Dit middelonderdeel ziet mijns inziens eraan voorbij dat het Hof terecht ervan is uitgegaan - hiervoor kwam dat reeds ter sprake - dat [verweerder] slechts een verwijt treft ingeval hij in de gegeven omstandigheden van het geval mede met het oog op in redelijkheid te voorziene verkeersfouten van andere weggebruikers, onder wie het slachtoffer zelf, ervan had behoren af te zien om naar links af te slaan. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden - waaronder de duisternis en de regen - redelijkerwijs geen rekening ermee behoefde te houden dat de door hem gesignaleerde motorrijder [betrokkene 1] (het Hof gaat in de hier bestreden rechtsoverweging ervan uit dat [betrokkene 1] "waarneembaar" was) op 117 m van de litigieuze kruising een inhaalmanoeuvre zou ondernemen met een snelheid die de daar ter plaatse kennelijk met het oog op de bijzondere verkeerssituatie geldende maximumsnelheid van 70 km per uur met 20 % zou overschrijden. Het Hof heeft daaraan terecht de conclusie verbonden dat [verweerder] dan ook geen verwijt treft ingeval komt vast te staan dat [betrokkene 1] de maximumsnelheid met 20 % heeft overschreden, dat wil zeggen harder dan 85 km per uur heeft gereden.
De aan het middel ten grondslag liggende stelling dat [verweerder] wel een verwijt treft ingeval [betrokkene 1] die snelheid van 85 km per uur slechts in geringe mate heeft overschreden faalt. Deze stelling miskent immers dat van verwijtbaarheid geen sprake kan zijn ingeval aan [verweerder] niet kan worden verweten dat hij in de gegeven omstandigheden naar links afsloeg omdat hij nu eenmaal redelijkerwijs geen rekening behoefde te houden met de verkeersfout van [betrokkene 1].
Overigens moge ik hier erop wijzen dat 's Hofs oordeel - noodzakelijkerwijs - is verweven met de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval; een algemene strekking mag naar mijn oordeel dan ook bepaald niet worden toegekend aan 's Hofs oordeel dat in casu een overschrijding van 20 % van de maximum- snelheid een overschrijding was waarmee redelijkerwijs geen rekening behoefde te worden gehouden.
11. Middelonderdeel 3 komt op tegen 's Hofs oordeel dat uit de getuigenverklaringen opgenomen in het proces-verbaal van de politie het "vermoeden" kan worden geput niet alleen dat [betrokkene 1] tijdens het inhalen heeft gereden met een snelheid van meer dan 85 km per uur, doch tevens dat [betrokkene 1] ook de kruising is genaderd met een snelheid die - nog steeds - hoger was dan 85 kilometer per uur. Ook hier wordt opgekomen tegen een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing. 's Hofs oordeel houdt immers in dat - behoudens tegenbewijs - moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] de kruising is genaderd met een snelheid van meer dan 85 km per uur; deze zonder voorbehoud gegeven beslissing moet naar het mij voorkomt als eindbeslissing worden beschouwd.
Geklaagd wordt dat aan bedoelde getuigenverklaringen geen waarde kan worden gehecht althans dat daaruit niet kan worden afgeleid hetgeen het Hof daaruit afleidt terwijl de verklaringen bovendien niet zijn ondertekend en de getuigen niet in rechte zijn gehoord. Voorts wordt geklaagd dat de rechter slechts uit ten processe vaststaande feiten het vermoeden van de juistheid van de stelling van een procespartij mag putten.
12. Ook dit onderdeel faalt. Het ziet eraan voorbij dat 's Hofs hier bestreden oordeel - het oordeel dat op grond van de getuigenverklaringen, behoudens het bewijs van het tegendeel, moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] bij de nadering van het kruispunt harder reed dan 85 km per uur - is gebaseerd op een aan het Hof voorbehouden waardering en uitleg van de bewijsmiddelen. Het staat de rechter vrij niet-ondertekende getuigenverklaringen opgenomen in een proces-verbaal van de politie als bewijsmiddel te bezigen. Het is bepaald niet zo dat de rechter alleen op grond van de ten processe vaststaande feiten tot de slotsom mag komen dat voorshands - dat wil zeggen behoudens bewijs van het tegendeel - ervan moet worden uitgegaan dat een partij haar stellingen voldoende heeft geadstrueerd. (Zie ook Asser, Bewijslastverdeling, Monografieën Nieuw BW A-24, 1992 nrs. 14-21. )
's Hofs uitleg en waardering van het bewijsmateriaal is tegen de achtergrond van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. 's Hofs beslissing kan voor het overige niet op zijn juistheid worden getoetst.
Conclusie
Nu ik het middel in al zijn onderdelen ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden