DA/MR
Rekestnr.8743
Parket, 28 maart 1996
Mr Asser
Conclusie inzake:
[de man]
tegen:
[de vrouw]
Edelhoogachtbaar College,
1. Inleiding
1.1. Een wat merkwaardige zaak die aan Uw Raad wordt voorgelegd. Partijen - de man en de vrouw - waren aanvankelijk eensgezind in wat zij met deze procedure wilden bereiken maar verschillen nu danig van mening over hoe het in de feitelijke instanties voor hen beiden ongunstig besliste geding moet aflopen. Enfin, in cassatie - kan thans van de volgende - door het Hof tot uitgangspunt genomen - feiten worden uitgegaan.
1.1.1. De man (thans de verzoeker tot cassatie) - de man - en de vrouw (de verweerster in cassatie) zijn in 1983 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.
1.1.2. Bij vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 15 februari 1993 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. De man is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Over de omvang van dit appel kom ik straks nog te spreken.
1.1.3. Bij arrest van 22 april 1994 heeft het hof het vonnis vernietigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw bepaald op f 465, - per maand.
1.2. Deze procedure zal ik hierna (niet helemaal zuiver maar gemakshalve) verder aanduiden met: de echtscheidingszaak.
1.3. De vrouw heeft de rechtbank bij verzoekschrift van 16 december 1994 verzocht de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Voorburg te gelasten de akte van 4 juli 1994 houdende de inschrijving van voormeld echtscheidingsvonnis door te halen.
1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 1 maart 1995 het verzoek van de vrouw afgewezen.
1.5. Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld waarbij hij heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende - kort gezegd - de ambtenaar te gelasten de inschrijving van het echtscheidingsvonnis door te halen.
1.6. Op 26 juli 1995 is de zaak mondeling behandeld. De man en vrouw zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.7. Het hof heeft de man bij beschikking van 25 augustus 1995 niet ontvankelijk verklaard omdat hij in eerste aanleg geen partij was.
1.8. Tegen deze beschikking heeft de man tijdig cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van één cassatiemiddel. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Ik zou voorop willen stellen dat in de echtscheidingszaak tussen partijen het voor 1 januari 1993 geldende echtscheidingsprocesrecht van toepassing was en dat ook het recht betreffende de registers van de Burgerlijke Stand, zoals dat tot 1 januari 1995 van toepassing was, is toegepast.
2.2. Het middel klaagt erover dat het hof de man niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Daarmee is art. 429n lid 1 juncto lid 2 Rv. geschonden, nu het hof heeft miskend dat niet alleen een partij in het geding hoger beroep kan instellen maar ook iedere belanghebbende, aldus kort samengevat het middel.
2.3. De procedure tot doorhaling van akten op grond van art. 1:24 BW (art. 1:29 (oud) BW) wordt met een verzoekschrift ingeleid, zodat de art. 429a e.v. Rv. van toepassing zijn.
2.4. Degene die hoger beroep instelt hoeft geen partij te zijn. Voldoende is dat hij belanghebbende is in de zin van art. 429n lid 2 Rv. Wie tot de belanghebbenden conform deze bepaling zijn te rekenen is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid.
2.5. Aan een bij voorbaat beperkte kring van belanghebbenden is het recht van appel toegekend in een procedure betreffende levensonderhoud: art.828i (oud) Rv noemt alleen de verzoeker en de verweerder ("partijen" in de zin van art.828c lid 1). Derhalve geldt een van art. 429n, tweede lid, afwijkende regel: slechts partijen kunnen in hoger beroep komen.
2.6. Ik kan mij niet helemaal aan de indruk onttrekken dat het hof zich bij zijn beslissing door deze regel heeft laten leiden. Het gebruik van het woord "partij" suggereert dat tenminste. Maar daarmee heeft het hof eraan voorbij gezien dat het in deze zaak niet gaat om een verzoek betreffende de vaststelling van alimentatie maar om een verzoek van geheel andere aard, namelijk tot doorhaling van een inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand.
2.7. Onder belanghebbenden in de zin van art. 1:24 (1:29 (oud) ) BW, dat kort gezegd aan "belanghebbenden" het recht geeft een van de in die bepaling genoemde verzoeken te doen, worden verstaan allen, wier naam in de akte voorkomt en verder diegenen, die een zedelijk, maatschappelijk of geldelijk belang hebben. Het is dus duidelijk dat de man, die direct belanghebbende bij de inschrijving van het echtscheidingsvonnis is - hij is daarbij immers "partij" -, belanghebbende is in de zin van art.1:24 BW en daarom zou ik er ook niet aan willen twijfelen dat hij in de zin van art.429n belanghebbende is in een procedure als de onderhavige.
2.8. In HR 8 oktober 1976, NJ 1977, 284 (m.nt.E.A.A.Luijten) en tien jaar later in HR 15 juli 1986, NJ 1987,933 (m.nt.W.H.Heemskerk) is trouwens ook uitdrukkelijk uitgesproken dat een van de partijen bij de echtscheiding (toen de vrouw, nu in elk geval ook de man) er een rechtmatig belang bij heeft of geacht kan worden te hebben dat de registers van de Burgerlijke Stand niet een onjuistheid bevatten ten aanzien van het tijdstip waarop zijn of haar huwelijk met de andere partij door echtscheiding is geëindigd.
2.9. In de beschikking van 8 oktober 1976 is bovendien om die reden overwogen dat het verzoek van de vrouw in die zaak tot verbetering van het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand niet kon worden afgewezen op grond van de overweging dat dit verzoek misbruik van recht zou opleveren of in strijd zou zijn met de goede trouw of met de voor de vrouw uit het huwelijk voortspruitende verplichtingen jegens de man. Hieruit leid ik af dat naar het oordeel van Uw Raad de bevoegdheid van een van de (ex-)echtgenoten om verbetering te verzoeken van de registers van de Burgerlijke Stand met het oog op de juistheid van die registers aangaande de vraag of het huwelijk door echtscheiding is geëindigd, naar haar aard niet kan worden misbruikt (art. 3:13 lid 3 BW) .
2.10. Op een en ander stuit reeds af het thans vanwege de vrouw bij verweerschrift in cassatie gehouden betoog dat de man misbruik maakt van (proces)recht dan wel handelt in strijd met de goede procesorde of met hetgeen de redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw met zich brengt, en in ieder geval geen in redelijkheid te honoreren belang heeft bij het instellen van het hoger beroep en thans het cassatieberoep.
2.11. Nu de vraag of de echtscheiding is geeffectueerd en of de registers van de Burgerlijke Stand dienaangaande juist zijn, zich onttrekt aan de vrije beschikkingsmacht van partijen, wordt het zojuist opgemerkte, naar het mij voorkomt, niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat, anders dan thans, in de casus van de beschikking van 8 oktober 1976 het ging om een echtscheidingsvonnis bij verstek dat (op grond van een griffiersverklaring van non-verzet) was ingeschreven op een moment dat daartegen reeds verzet was ingesteld en dat dus nog niet in kracht van gewijsde was gegaan. Hier moeten, met name vanwege het grote gewicht van de rechtszekerheid, algemene regels prevaleren boven meer op de casuïstische verscheidenheid gerichte beslissingen, zou ik menen.
2.12. Een en ander betekent dat het middel terecht is voorgesteld. Gelet op het belang van partijen bij spoedige zekerheid in deze zaak lijkt het me aangewezen om het bij die constatering niet te laten en te onderzoeken wat de verdere gevolgen moeten zijn.
2.13. De rechtbank heeft in de onderhavige zaak onder meer overwogen dat - de man van het vonnis in de echtscheidingszaak van 15 februari 1993 in hoger beroep was gekomen met in de appeldagvaarding "de conclusie tot afwijzing van de hele vordering" van de vrouw, "dus echtscheiding en nevenvorderingen";
- dat hoewel de man vervolgens zijn grieven inhoudelijk slechts richtte tegen de te zijnen laste vastgestelde alimentatie, nu de man in het petitum van zijn memorie van grieven opnieuw verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen, het er voor moest worden gehouden dat ook de vordering tot echtscheiding in zijn hoger beroep werd betrokken;
- dat met name de man ook zelf, althans aanvankelijk, is uitgegaan van een hoger beroep in volle omvang, wat afgeleid wordt uit het feit dat hij op 5 april 1994, bijna een jaar na zijn appeldagvaarding, de akte van berusting ter zake van de echtscheiding heeft getekend en dat hij met deze eenzijdige wilsverklaring uitdrukkelijk aangaf dat "wat hem betrof het vonnis van de rechtbank vervroegd in kracht van gewijsde kon gaan" ;
- dat de vrouw hiermee volgde op 18 mei 1994, waardoor in elk geval toen de echtscheiding onherroepelijk is geworden; - dat daags daarna "de inschrijvingstermijn van 6 maanden ging lopen" en dat de inschrijving op 4 juli 1994 dus tijdig is geschied; - dat hieraan niet afdoet het oordeel van het hof in het appel van het echtscheidingsvonnis dat de man uitsluitend van dat vonnis in appel was gekomen voor zover hij daarbij was veroordeeld tot alimentatie, welk uitgangspunt gegeven de gedingstukken van de man in hoger beroep "minder juist" wordt geacht;
- dat het arrest van het hof impliceert dat de man ter zake van de echtscheiding bij gebreke van daartegen gerichte grieven niet ontvankelijk was in zijn hoger beroep.
2.14. De man heeft met zijn appelgrieven er over geklaagd - ik vat samen - dat de rechtbank in de onderhavige zaak geen vrijheid had de omvang van het door de man in de echtscheidingsprocedure ingestelde appel aldus ruimer te beoordelen dan in dat appel het hof had gedaan.
2.15. Laat ik vooropstellen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat het oordeel van het hof aangaande de omvang van het door de man ingestelde appel partijen en ook de rechter in een ander geding binden. Of zulke oordelen gezag van gewijsde hebben in de zin van art.67 Rv laat ik rusten, met dien verstande dat ik wel zou menen dat beslissingen die in het kader van de bepaling van de rechtsstrijd de aan de rechter voorgelegde rechtsbetrekking in geschil nader omlijnen, niet zonder meer gezag van gewijsde ontzegd kan worden.
2.16. Het stond de rechtbank dus niet vrij om het oordeel van het hof in de echtscheidingszaak over de omvang van de rechtsstrijd in appel op zijn juistheid te beoordelen.
2.17. Iets anders is de vrijheid van de rechter in een ander geding om door interpretatie van een onduidelijke uitspraak de inhoud en reikwijdte daarvan nader te bepalen, indien partijen daarover van mening verschillen.
2.18. Maar in de onderhavige procedure laten de stellingen van partijen in eerste aanleg geen andere conclusie toe dan dat zij allerminst van mening verschilden over de vraag naar de omvang van het door de man ingestelde appel. De vrouw heeft zelf in de onderhavige procedure gesteld dat het vonnis voor wat betreft de echtscheiding in kracht van gewijsde was gegaan op het tijdstip dat zij haar memorie van antwoord had genomen. De rechtbank is dus met haar oordeel aangaande de juistheid van wat het hof heeft overwogen eigenlijk dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
2.19. Maar wat daarvan zij, er bestaat naar ik meen ook geen redelijke twijfel over dat het hof in zijn arrest in de echtscheidingszaak heeft geoordeeld dat de man zijn hoger beroep niet mede tegen de echtscheidingsbeslissing heeft gericht. Dit blijkt niet alleen uit het expliciete en ondubbelzinnige oordeel van het hof in het genoemde arrest dat de man uitsluitend van dat vonnis in appel was gekomen voor zover hij daarbij was veroordeeld tot alimentatie. Het komt ook naar voren uit r.o.1 van het arrest, waarin ervan wordt uitgegaan dat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken tijdig is of zal zijn ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand. Daarin ligt immers besloten dat het hof van oordeel was dat dat vonnis in zoverre in kracht van gewijsde was gegaan.
2.20. De onderhavige zaak verschilt naar ik meen dan ook duidelijk van die waarin Uw Raad op 22 maart 1996 onder rolnummer 15.927, na conclusie van mijn collega Vranken, uitspraak heeft gedaan. Daarin was de echtscheiding, waartegen geen grieven waren gericht, wel door het hof als onderdeel van de rechtsstrijd in appel beschouwd. Omdat de uitspraak nog niet in druk is verschenen, citeer ik hier de belangrijkste passages :
"3.2 In cassatie gaat het uitsluitend om de vraag of de door de Rechtbank op vordering van de man uitgesproken echtscheiding door het hoger beroep aan het oordeel van het Hof is onderworpen. De vrouw neemt het standpunt in dat dit inderdaad het geval is. ( ... )
3.3 Het Hof heeft in zijn bestreden arrest onder 1.2 vastgesteld dat de vrouw heeft geconcludeerd dat het Hof "de vonnissen zal vernietigen voor wat betreft de daarin vastgestelde alimentatie en de uitgesproken echtscheiding", zulks in overeenstemming met de hiervoor onder 1 geciteerde passage in de appeldagvaarding, waarvan in de memorie van grieven niet is afgeweken.
In rov. 4.11, in het kader van zijn overwegingen omtrent het "pensioenverweer", heeft het Hof vervolgens overwogen:
"De vrouw is, hoewel uit het vonnis van 19 november 1991 blijkt dat de pensioenvoorziening nog niet was afgesloten, niet in hoger beroep gekomen van dat vonnis, voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken. Dat brengt mee dat het vonnis in zoverre in stand blijft."
Het middel strekt ten betoge dat het Hof in rov. 4.11 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn beslissing niet naar behoren heeft gemotiveerd.
3.4 Het middel kan niet tot cassatie leiden omdat het berust op een verkeerde lezing van 's Hofs arrest. Mede gelet op voormelde vaststelling in zijn arrest onder 1.2, heeft het Hof in rov. 4.11 klaarblijkelijk slechts tot uitdrukking willen brengen dat de vrouw geen grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Rechtbank de echtscheiding uit te spreken, en dat het vonnis van 19 november 1991 daarom ook in zoverre dient te worden bekrachtigd. Het Hof heeft de echtscheiding derhalve wel als onderdeel van de rechtsstrijd in appel beschouwd, maar wegens het ontbreken van een daartegen gerichte grief de desbetreffende beslissing van de Rechtbank in stand gelaten".
2.21. De situatie in onze zaak ligt dus wel anders, nu de man niet uitdrukkelijk ook van de echtscheiding had geappelleerd.
Zoals moge blijken uit wat ik hierboven heb opgemerkt zie ik geen, althans te weinig aanknopingspunten voor een lezing van het arrest van het hof in de echtscheidingszaak op een wijze als in deze uitspraak aangegeven en ook door de rechtbank in onze zaak gegeven.
2.22. Bij deze stand van zaken kan op basis van wat in de literatuur en feitelijke rechtspraak wordt aangenomen, worden betoogd dat het echtscheidingsvonnis - voor wat betreft de echtscheiding - in kracht van gewijsde is gegaan op het tijdstip waarop de vrouw in die procedure haar memorie van antwoord nam. Daaruit bleek namelijk dat zij niet incidenteel appelleerde tegen de echtscheiding. In de onderhavige procedure stellen beide partijen zich ook op dit standpunt, zoals hierboven al aangestipt.
2.23. Het huidige art. 820 Rv gaat eveneens van dat stelsel uit. Het wil immers de onduidelijkheid die onder het sedert 1971 geldende regime als gevolg van de mogelijkheid van incidenteel appel tegen de echtscheiding nogal eens voorkwam aangaande het tijdstip waarop het echtscheidingsvonnis in kracht van gewijsde ging, voorkomen en heeft tot gevolg dat indien het (principaal) appel slechts betrekking heeft op de nevenvoorzieningen de beschikking voor zover zij de echtscheiding betreft in kracht van gewijsde gaat.
2.24. Ik zie dus geen reden om een ander stelsel aan te bevelen, ook al brengt het - met deze zaak geïllustreerde - onzekerheden mee die men, gelet op het grote belang van de rechtszekerheid, liever zou vermijden.
2.25.Al met al leidt het voorgaande tot de slotsom dat de grieven van de man in de onderhavige zaak opgaan.
2.26. Voor het geval dat Uw Raad met mij van oordeel mocht zijn dat de aangevallen beschikking van het hof gecasseerd moet worden en dat de appelgrieven van de man opgaan, stel ik dan ook voor de zaak zelf af te doen en, rechtdoende in het appel, de beschikking van de rechtbank te vernietigen en alsnog de doorhaling te gelasten overeenkomstig het verzoek van de man in appel.
3. CONCLUSIE
Deze strekt er toe dat de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 augustus 1995 en de beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 1 maart 1995 worden vernietigd en dat de doorhaling zal worden gelast van de inschrijving van het ten processe bedoelde echtscheidingsvonnis in het desbetreffende register van de Burgerlijke Stand.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,