ECLI:NL:PHR:1997:48

ECLI:NL:PHR:1997:48, Parket bij de Hoge Raad, 27-06-1997, 16.427

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 27-06-1997
Datum publicatie 09-01-2026
Zaaknummer 16.427
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1997:ZC2470

Samenvatting

Whiplash-arrest. Aanspraken op vergoeding van materiële en van immateriële schade ter zake van letsel (whiplash) zodanig verknochte goederen in de zin van art. 1:94 lid 3 BW dat zij bij ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling moeten blijven? Aard van het goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

Uitspraak

Rolnummer 16 427

Zitting 27 juni 1997

mr De Vries Lentsch - Kostense

Conclusie inzake

[de man]

tegen

[de vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan:

- Partijen, verder ook de man en de vrouw te noemen, zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen; het op 21 januari 1977 gesloten huwelijk is op 14 oktober 1991 ontbonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis van 15 augustus 1991.

- In 1987 (staande huwelijk) is de vrouw slachtoffer geworden van een ongeval waarbij zij een whiplash opliep. Door dat letsel kan de vrouw haar beroep van fysiotherapeute niet meer uitoefenen; het valt niet te verwachten - partijen zijn het daarover eens - dat dit in de toekomst anders zal zijn.

- De vrouw heeft - eveneens voor de echtscheiding - bij de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval een vordering ingesteld tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade.

- Nog staande huwelijk is door deze verzekeraar een voorschot van f 12.000,- uitgekeerd, waarmee aansprakelijkheid werd erkend al bestond nog geen overeenstemming over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding. Bedoeld voorschot is sans préjudice betrokken in een reeds tot stand gekomen partiële boedelscheiding en tussen partijen bij helfte verdeeld.

- Aan de vrouw is uiteindelijk door de verzekeraar - na de ontbinding van het huwelijk - nog f 178.000,- uitgekeerd, zodat de schadevergoeding in totaal f 190.000,- heeft bedragen. - Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat van dat bedrag f 20.000,- strekt ter vergoeding van immateriële schade en f 170.000,- ter vergoeding van materiële schade bestaande uit inkomensschade, kosten huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid. Voorts heeft het Hof - eveneens in cassatie onbestreden - overwogen dat de man niet heeft gesteld en dat evenmin is gebleken dat de tijdens het huwelijk van partijen door de gemeenschap geleden materiële schade uitgaat boven het bedrag van f 12.000,- dat krachtens het echtscheidingsconvenant gelijkelijk tussen partijen is verdeeld.

- De vrouw heeft in appel nog betoogd dat zij geen alimentatie geniet en dat zij vooralsnog een WAO-uitkering op basis van 80- 100% arbeidsongeschiktheid ontvangt terwijl zij voor de verzorging en opvoeding van de twee kinderen van partijen staat.

2. Partijen strijden om de vraag of de aanspraak van de vrouw op schadevergoeding wegens het haar overkomen ongeval - een "toekomstig" goed in de zin van art. 1:94 lid 1 BW - in de gemeenschap valt en zo ja, of die aanspraak tussen partijen bij helfte gedeeld moet worden.

De man beantwoordt beide vragen bevestigend. Hij vordert - bij inleidende dagvaarding van 23 juli 1992 - dat voor recht wordt verklaard dat ook de aanspraken van de vrouw ter zake van de materiële en immateriële schade voor zover nog niet voldaan op 19 december 1991, behoren tot het actief van de gemeenschap van goederen die tussen partijen ten tijde van het ongeval bestond. (Op 19 december 1991 werd het echtscheidingsconvenant gesloten nadat het huwelijk op 14 oktober was ontbonden.)

De vrouw daarentegen stelt zich op het standpunt dat bedoelde aanspraken als aan haar verknocht buiten de huwelijksgoederengemeenschap zijn gevallen. Aanspraken op materiële schadevergoeding zijn geheel te vergelijken met een invaliditeitspensioen dat - aldus HR 23 december 1988, NJ 1989, 700, m.nt. EAAL - als strikt persoonlijk recht van degene die door invaliditeit wordt getroffen, niet in de gemeenschap valt ook niet bij wege van verrekening evenmin als aanspraken o.g.v. de Ziektewet, de WAO en de AAW. De aanspraak op materiële schadevergoeding betreft vergoeding voor toekomstige aanspraken die zijn te vergelijken met niet in de gemeenschap vallende toekomstige loonvorderingen. De aanspraak op immateriële schadevergoeding is een strikt persoonlijk recht, terwijl de te ontvangen schadevergoeding voor het overgrote deel betrekking heeft op toekomstig leed dat na de huwelijksontbinding is en nog zal worden geleden aangezien partijen betrekkelijk kort na het ongeval uit elkaar zijn gegaan. Aldus de vrouw, die in voorwaardelijke reconventie - voor zover voormelde aanspraken wel in de gemeenschap zouden vallen - vordert te verklaren voor recht dat de waarde van haar aanspraken op schadevergoeding bij toescheiding aan haar niet behoort te worden verrekend, in welk verband zij een beroep doet op de redelijkheid en billijkheid.

3. De Rechtbank wijst zowel de conventionele als de reconventionele vordering toe. Naar haar oordeel valt de vordering tot schadevergoeding naar huidige jurisprudentie in de huwelijksgemeenschap. Redelijkheid en billijkheid brengen naar haar oordeel echter mee dat de waarde van de aanspraken van de vrouw op schadevergoeding - behoudens het bedrag van f 12.000,- - bij toescheiding aan de vrouw niet behoort te worden verrekend nu deze aanspraken zowel wat betreft de materiële schade als de immateriële schade betrekking zullen hebben op toekomstige schade gezien de omstandigheden van het geval, waaronder met name de omstandigheid dat de vrouw ten gevolge van het opgelopen letsel haar beroep van fysiotherapeute niet meer kan uitoefenen.

4. Na door de man ingesteld principaal en door de vrouw ingesteld incidenteel appel oordeelt het Hof - bij arrest van 28 maart 1996 - dat zowel de aanspraak op materiële als die op immateriële schadevergoeding (behoudens het reeds verrekende bedrag van f 12.000,-) naar haar aard in ieder geval in zoverre aan de vrouw zijn verknocht dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven. "Ten overvloede" wordt overwogen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen bij de verdeling jegens elkaar in acht moeten nemen in ieder geval meebrengen dat de schadevergoeding - voor zover het bedrag van f 12.000,- te boven gaande - zonder verrekening aan de vrouw moet worden toegedeeld. 's Hofs overwegingen, waarin de vrouw en de man bij name worden genoemd, luiden als volgt:

4.4. ( ... ) De aanspraak op de immateriële schadevergoeding is naar zijn aard bestemd om te dienen als compensatie voor het door [de vrouw] ondergane leed zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde. Gelet op de aard van het letsel (een whiplash) geldt bovendien, dat de vergoeding ook betrekking heeft op de immateriële nadelen voor [de vrouw] die in de toekomst (na de ontbinding van het huwelijk) voelbaar zullen blijven. De vergoeding is derhalve uitsluitend afgestemd op aan de persoon van [de vrouw] verbonden nadelige gevolgen van het ongeval.

Ten aanzien van de (aanspraak op) vergoeding van materiële schade geldt evenzeer, dat deze betrekking heeft op financiële nadelen die na de ontbinding van het huwelijk uitsluitend door [de vrouw] geleden zullen worden. De inkomensschade betreft immers het nadeel als gevolg van het verlies van haar verdiencapaciteit; de vergoeding strekt dan ook tot vervanging van de arbeidsinkomsten die zij - voornamelijk na ontbinding van het huwelijk - zal derven door haar arbeidsongeschiktheid. Ook de vergoeding voor het verlies aan zelfwerkzaamheid en de kosten van huishoudelijke hulp strekt ter compensatie voor in de toekomst door [de vrouw] te maken extra onkosten als gevolg van haar letsel. Voor zover als gevolg van het ongeval reeds tijdens het huwelijk van partijen materiële schade is geleden, moet die geacht worden te zijn gedekt door het toen reeds ontvangen voorschot op de schadevergoeding van f. 12.000,-, dat krachtens het echtscheidingsconvenant gelijkelijk tussen partijen verdeeld is. [de man] heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat de tijdens het huwelijk door de gemeenschap geleden schade boven dat bedrag uitgaat.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat in het onderhavige geval zowel de aanspraak op immateriële, als die op materiële schadevergoeding (voor zover het genoemde bedrag van f. 12.000,- te boven gaande) naar hun aard in ieder geval in zoverre aan [de vrouw] zijn verknocht, dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven.

4.6. ( . . . )

4.7. Ten overvloede overweegt het hof - voorzover aangenomen zou moeten worden dat de aanspraak op immateriële en/of de aanspraak op materiële schadevergoeding wèl in de gemeenschap vallen - nog als volgt.

In dat geval zouden, gelet op het onder 4.4. overwogene, de eisen van redelijkheid en billijkheid die partijen bij de verdeling jegens elkaar in acht hebben te nemen, in ieder geval meebrengen dat de schadevergoeding (voor zover het bedrag van f. 12.000,- te boven gaande) zonder nadere verrekening aan [de vrouw] moet worden toegedeeld, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. ( ... )

5. Tegen dit arrest tekent de man tijdig cassatieberoep aan. De vrouw concludeert tot verwerping. Beide partijen lichten de zaak schriftelijk toe.

Het cassatiemiddel

6. Het uit twee onderdelen opgebouwde middel komt met rechts- en motiveringsklachten op zowel tegen 's Hofs oordeel vervat in de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 als tegen de overweging ten overvloede vervat in rechtsoverweging 4.7 van het bestreden arrest.

7. Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.

Art. 1:94 lid 3 BW bepaalt dat de goederen en schulden die aan een der echtgenoten "op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn" slechts in de gemeenschap vallen "voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet". Aangenomen wordt dat uit het gebruik van de woorden "voor zover" moet worden afgeleid dat de "verknochtheid" zich kan verzetten tegen het van toepassing worden van een of meer gevolgen van het vallen in de gemeenschap. In dat verband wordt ook verwezen naar de wetsgeschiedenis, met name naar de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Boek 1 (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 1, p. 1186, eerste volle alinea) waar met betrekking tot het derde lid van art. 94 het volgende wordt opgemerkt:

"Het laat ( .. ) tweeërlei mogelijkheid open, nl. dat een voor of staande het huwelijk door een echtgenoot verkregen goed of in zijn persoon ontstane schuld in afwijking van de desbetreffende hoofdregel in het geheel niet in de gemeenschap valt - dus als zijn privé-goed, respectievelijk privéschuld moet worden aangemerkt - en als tweede minder, ver gaande mogelijkheid, dat het goed of de schuld weliswaar in de gemeenschap valt, doch slechts in bepaalde opzichten onderworpen is aan de regels die ten aanzien van de goederen respectievelijk de schulden der wettelijke huwelijksgemeenschap gelden. ( ... ) Zoals uit de literatuur en de gepubliceerde rechtspraak blijkt kan het in de voorgestelde bepaling uitgedrukte beginsel in velerlei gevallen en in verschillende nuances toepassing vinden. De uitwerking daarvan blijve, zowel voor schulden als voor goederen, aan wetenschap en rechtspraak overgelaten."

Ik verwijs hier naar: Asser-De Ruiter-Moltmaker, 1992, nr. 301, De Bruijn-Soons-Kleijn, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht, 1972, nr. 94, KLaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, deel 2, 1994, p. 90 e.v., Pitlo/Van der Burght/ Rood-de Boer, Personen- en familierecht, 1996, p. 206 e.v. en Van Mourik, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, 1983, nr. 6.1. Zie voorts ook Uw arrest van 27 november 1981, NJ 1982, 503 ([…]), m.nt. EAAL en WHH, welk arrest werd gewezen onder het recht dat gold voor de inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Stb. 1994 nr. 342). In dit arrest werd enerzijds geoordeeld dat de verknochtheid van het ouderdomspensioen aan de persoon van de rechthebbende niet eraan in de weg staat de pensioenrechten bij ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding - voor het gedeelte dat op dat moment reeds is opgebouwd - bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking te nemen; anderzijds werd tevens geoordeeld dat bedoelde verknochtheid wel eraan in de weg staat dat een verrekening plaatsvindt ten behoeve van de erfgenamen van de overleden andere echtgenoot ingeval de gemeenschap wordt ontbonden door de dood van een der echtgenoten.

Zie in dit verband ook mijn ambtgenoot Asser in zijn uitvoerig gedocumenteerde conclusie voor Uw arrest van 22 maart 1996, NJ 1996, 640, m.nt. WMK. Hij benadrukt terecht dat bij de beantwoording van de vraag of er reden is verknochtheid aan te nemen, steeds erom gaat welk specifiek gevolg van het "in de gemeenschap vallen" in het geding is. Daarbij zal - gezien het karakter van de algehele gemeenschap van goederen - voorop moeten staan dat er alle reden is de uitzondering van art. 94 lid 3 zo beperkt mogelijk op te vatten. Dat laatste is met name ook benadrukt in Uw zojuist genoemde arrest van 22 maart 1996 en in Uw onder 2 reeds genoemde arrest van 23 december 1988, NJ 1989, 700, m.nt. EAAL, waarin Uw Raad overwoog dat het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre, de verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, afhangt van "de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald".

8. In zojuist genoemd arrest van 23 december 1988 - een arrest waarop met name de vrouw zich in dit geding veelvuldig heeft beroepen - oordeelde Uw Raad als volgt met betrekking tot een invaliditeitspensioen "in de zin van een recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van door invaliditeit wegvallende arbeidsinkomsten gedurende een tijdvak voorafgaande aan het tijdstip waarop de deelname aan het arbeidsproces wegens ouderdom pleegt te eindigen"; een dergelijk pensioen is naar zijn aard zo sterk aan de persoon van de door invaliditeit getroffen echtgenoot verknocht dat het evenmin in de gemeenschap valt, ook niet bij wege van verrekening, als aanspraken op uitkeringen op grond van de Ziektewet, de WAO en de AWW. Daarbij achtte Uw Raad met name de volgende omstandigheden van belang:

a. Een invaliditeitspensioen strekt tot vervanging van arbeidsinkomsten welke bij het ontbreken van invaliditeit zouden (kunnen) worden behaald; loon voor nog te verrichten arbeid valt ook niet in de gemeenschap;

b. Anders dan ouderdomspensioenen, plegen invaliditeitspensioenen niet of slechts in beperkte mate te berusten op een geleidelijke, aan het voortduren van de arbeidsverhouding gekoppelde, opbouw van aanspraken;

c. De grootte en de duur van een invaliditeitspensioen zijn in de regel afhankelijk van de graad van arbeidsongeschiktheid en het voortduren daarvan, derhalve van strikt individuele, soms wisselende omstandigheden aan de zijde van de rechthebbende.

d. Invaliditeit leidt in de regel niet alleen tot verlies van arbeidsinkomsten maar ook tot vermindering van de mogelijkheden tot levensgeluk en verdere ontplooiing. Het verkrijgen van invaliditeitspensioen zal in de praktijk mede noodzakelijk zijn om aan de hieruit voortvloeiende achterstand het hoofd te bieden.

In het hiervoor genoemde arrest van 22 maart 1996 oordeelde Uw Raad dat voor een uitzondering op de hoofdregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen omvat, geen plaats is in het geval waarin het gaat om een schadeloosstelling aan een werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij werd expliciet overwogen dat een beroep op het arrest van 23 december 1988 reeds faalt omdat "anders dan in het geval dat in dat arrest aan de orde was, niet sprake is van invaliditeit ( ... ) en de schadeloosstelling dan ook niet strekte ter voorziening in gevolgen van invaliditeit".

In Uw arrest van 3 januari 1986, NJ 1987, 73, m.nt. EAAL, oordeelde Uw Raad dat de gemeenschap van goederen ook omvat een vordering tegen een derde tot vergoeding van nadeel dat niet bestaat in vermogensschade. In de conclusie van de A-G Ten Kate wordt erop gewezen dat de verknochtheid gelegen in de aard van de vordering nog in die vorm van betekenis kan zijn dat de vordering naar redelijkheid en billijkheid geheel of ten dele aan betrokkene wordt toegekend bij de verdeling van de gemeenschap na ontbinding . Annotator Luijten werpt de vraag op of het resultaat van de uitspraak het rechtsgevoel wel geheel bevredigt met name gezien de omstandigheden van het geval waaronder de korte duur van het huwelijk en het feit dat bij de bepaling van het bedrag der schadevergoeding niet alleen gelet was op geleden pijn maar ook op toekomstig leed dat in de gegeven situatie na de huwelijksontbinding zou worden ondergaan.

De door Luijten opgeworpen vraag wordt onomwonden ontkennend beantwoord door Duijvendijk-Brand in haar dissertatie Afrekenen bij (echt)scheiding, Leiden, 1990. Met betrekking tot de aanspraak op immateriële schadevergoeding wijst zij (a.w., p. 32-33) met instemming op het Eindverslag I bij art. 6:106 BW waar wordt opgemerkt (Parl. Gesch. Boek 6, p. 389, sub 6, laatste zin):

"Dat de aanspraak op ideële schadevergoeding niet in de huwelijkse gemeenschap valt, volgt uit artikel 94 lid 3 van Boek 1." Voorts verdedigt zij met verve de stelling dat ook een aanspraak op schadevergoeding uit onrechtmatige daad terzake van verlies van arbeidscapaciteit/invaliditeit buiten de verdeling en verrekening dient te blijven aangezien het in wezen gaat om een vergoeding voor toekomstige loonvorderingen die ook buiten de verrekening blijven omdat dergelijke vorderingen niet tot de te verdelen massa behoren (a.w., p. 38-39).

9. Bij de beantwoording van de vraag of er reden is verknochtheid aan te nemen, moet - zoals gezegd - in het oog worden gehouden welk specifiek gevolg van het "in de gemeenschap vallen" in het geding is. In de onderhavige zaak gaat het om het gevolg dat gemeenschapsgoederen bij ontbinding van de gemeenschap tussen de (gewezen) echtgenoten bij helfte moeten worden verdeeld; ik kom daarop nog terug. In dat verband moet in het oog worden gehouden dat de rechtsbetrekking tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid die kunnen meebrengen dat een bepaald goed aan een van beide echtgenoten moet worden toebedeeld zonder dat verrekening plaatsvindt. De aard van het betrokken goed zal daarbij - vanzelfsprekend - een rol spelen. Bij de beantwoording van de vraag of een bepaald goed buiten de verdeling moet blijven, kan dan ook maatgevend zijn de mate van verknochtheid, mede gezien de omstandigheden van het geval. Aldus kan de beslissing meer "casuïstisch" zijn dan in geval uitsluitend wordt beslist aan de hand van de mate van verknochtheid. Het thans bestreden arrest maakt overigens duidelijk dat een beslissing waarbij de motivering geheel is afgestemd op de aard van het betreffende goed, gelijk kan zijn aan een beslissing waarbij met name is gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid; het Hof grondt zijn conclusie dat althans de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de aanspraken op schadevergoeding zonder verrekening aan de vrouw moeten worden toegescheiden immers op dezelfde overwegingen als zijn conclusie dat in casu sprake is van een verknochtheid die zich ertegen verzet dat bedoelde aanspraken in de verdeling worden betrokken.

Overigens is verknochtheid niet de enige omstandigheid die naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat moet worden afgeweken van de regel dat bij helfte moet worden verdeeld. Ik vermeld in dit verband Uw arrest van 7 december 1990, NJ 1991, 593 betreffende een geval waarin een man uitvoering had gegeven aan het ten tijde van de huwelijkssluiting opgevatte plan om zijn door hem verzorgde, veel oudere, vrouw te doden.

10. Keren wij terug naar het thans in cassatie bestreden arrest. Zoals gezegd gaat het in het onderhavige geding uitsluitend om de vraag of de aanspraken van de vrouw op schadevergoeding (tot uitkering is het staande huwelijk niet meer gekomen behoudens het tussen partijen verrekende voorschot van f 12.000,-) buiten de verdeling dienen te blijven bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding. Het Hof heeft deze vraag - zoals hiervoor reeds bleek - bevestigend beantwoord op grond van de overweging dat in het onderhavige geval zowel de aanspraak op materiële als die op immateriële schadevergoeding (voor zover het reeds verrekende bedrag van f 12.000,- te boven gaande) naar haar aard in zoverre aan de vrouw zijn verknocht dat zij bij de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven. In rechtsoverweging 4.7 overweegt het Hof ten overvloede "voor zover de aanspraken wel in de gemeenschap vallen" dat in dat geval de eisen van de redelijkheid en billijkheid die partijen bij de verdeling jegens elkaar in acht hebben te nemen, in ieder geval meebrengen dat de schadevergoeding (voor zover het bedrag van f. 12.000,- te boven gaande) zonder nadere verrekening aan de vrouw moet worden toegedeeld. Uit de in rechtsoverweging 4.7 gebruikte zinswending "voor zover de aanspraken wel in de gemeenschap vallen" mag naar mijn oordeel niet worden afgeleid dat het Hof in de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen 4.4-4.6 heeft geconcludeerd dat de aanspraken op schadevergoeding (in het geheel) niet in de gemeenschap vallen; uit bedoelde rechtsoverwegingen blijkt immers duidelijk dat het Hof slechts heeft geoordeeld dat de aanspraken in zoverre naar haar aard aan de vrouw zijn verknocht dat zij bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding buiten de verdeling dienen te blijven.

11. Het Hof heeft bij zijn oordeel omtrent de verknochtheid van de aanspraak van de vrouw op materiële schadevergoeding beslissend geacht dat het gaat om een vergoeding die strekt ter vervanging van arbeidsinkomsten die de vrouw na de ontbinding van het huwelijk zal derven door haar arbeidsongeschiktheid en die tevens strekt ter compensatie voor in de toekomst door de vrouw te maken extra onkosten als gevolg van haar letsel. (Zoals gezegd moet ervan worden uitgegaan dat de eventueel reeds tijdens het huwelijk van partijen geleden schade in ieder geval is gedekt door het staande huwelijk ontvangen en later verrekende voorschot van f 12.000, -. )

's Hofs oordeel geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs in dit verband naar Uw meergenoemde arrest van 23 december 1988 betreffende een invaliditeitspensioen waarin met name van belang werd geoordeeld de hier door het Hof genoemde omstandigheid dat de schadevergoeding strekt ter vervanging van arbeidsinkomsten welke bij het ontbreken van de arbeidsongeschiktheid zouden (kunnen) worden behaald, in welk verband van belang is dat loon voor nog te verrichten arbeid ook niet in de gemeenschap valt. In Uw arrest werd met name ook van belang geoordeeld dat de grootte en de duur van een invaliditeitspensioen in de regel afhankelijk zijn van de graad van arbeidsongeschiktheid en het voortduren daarvan, derhalve van strikt individuele, soms wisselende, omstandigheden aan de zijde van de rechthebbende. Deze omstandigheid doet zich in casu niet voor. Dat betekent naar mijn oordeel echter niet dat de onderhavige aanspraak niet kan gelden als voldoende verknocht. Daarbij neem ik in aanmerking dat het in casu slechts gaat om de vraag of de aanspraak zodanig is verknocht dat deze buiten de verdeling moet blijven, een vraag die - zoals gezegd - mede wordt beheerst door redelijkheid en billijkheid; in genoemd arrest oordeelde Uw Raad dat de aanspraak op invaliditeitspensioen zodanig is verknocht dat deze (in het geheel) niet in de gemeenschap valt.

's Hofs oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk en behoefde evenmin nadere motivering.

12. Het Hof heeft zijn oordeel omtrent de verknochtheid van de aanspraak van de vrouw op vergoeding van immateriële schade - een verknochtheid die meebrengt dat het goed buiten de verdeling moet blijven - met name gegrond op de overweging dat de vergoeding naar haar aard is bestemd om te dienen als compensatie van het leed van de vrouw dat in casu nu juist gelet op de aard van het letsel ook betrekking heeft op de immateriële nadelen die in de toekomst voelbaar zullen blijven. Ook dit oordeel geeft mijns inziens niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij ik - wederom - in aanmerking neem dat het in casu slechts gaat om de vraag of de aanspraak zodanig is verknocht dat deze buiten de verdeling moet blijven, een vraag die - zoals gezegd - mede wordt beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Bovendien zij hier met name verwezen naar de hiervoor onder 9 genoemde passage uit de wetsgeschiedenis.

's Hofs oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk en behoefde evenmin nadere motivering.

13. Zonder aan het zorgvuldig gecomponeerde middel tekort te willen doen, meen ik te mogen stellen dat uit het voorgaande genoegzaam blijkt waarom naar mijn oordeel het eerste middel moet worden verworpen.

Het tweede middel komt op tegen 's Hofs overweging ten overvloede. Het faalt naar mijn oordeel reeds wegens gebrek aan belang nu het eerste middel niet tot cassatie kan leiden.

Conclusie

Nu ik het middel ongegrond acht concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?