ECLI:NL:PHR:1997:53

ECLI:NL:PHR:1997:53

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 14-10-1997
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 106.201
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:1997:ZD0880

Samenvatting

-

Uitspraak

Nr. 106.201

Zitting 14 oktober 1997

Mr Machielse

Conclusie inzake :

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Arnhem heeft op tegenspraak op 17 januari 1997 verzoeker voor de misdrijven van art.8 tweede lid, aanhef en onder a en art.184 Sr veroordeeld tot een geldboete van vijftienhonderd gulden en tot een ontzegging der rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.

2. Verzoeker heeft beroep in cassatie ingesteld en mr A.A. Franken, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het hof eraan is voorbijgegaan dat in de inleidende dagvaarding en in de appeldagvaarding ten onrechte niet de wettelijke voorschriften zijn vermeld waarbij de telastegelegde feiten strafbaar zijn gesteld, althans dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken welk rechtsgevolg aan dat verzuim dient te worden verbonden.

4. Op 2 november 1996 is de wet van 14 september 1995, Stb. 441 in werking getreden. Bij die wet is art.261 Sv gewijzigd en is aan het eerste lid daarvan toegevoegd dat de dagvaarding de wettelijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld moet vermelden. Terecht stelt de toelichting op het middel dat artikel III, aanwijzende welke wijzigingen geen gevolg hebben voor strafzaken die voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet reeds ter terechtzitting in eerste aanleg aanhangig zijn, de wijziging van art.261 Sv (artikel I onder E) niet vermeldt. Letterlijke toepassing van het overgangsrecht in deze zou ertoe leiden dat een dagvaarding aan een gebrek gaat lijden doordat na het uitbrengen ervan een wet van kracht wordt die aan de dagvaarding nadere eisen stelt. De vraag rijst of die slotsom onontkoombaar is.

5. Art. 4 Wet AB stelt dat de wet alleen voor het toekomende verbindt en geen terugwerkende kracht heeft. Terugwerkende kracht houdt volgens Knigge in dat de wet aan een anterieur feit rechtsgevolgen verbindt. Art. 4 Wet AB verbiedt de rechter een wet zo uit te leggen dat die wet terugwerkende kracht heeft, tenzij de wet zulks zelf uitdrukkelijk mogelijk maakt. Te denken is aan de toepassing van een gunstiger strafbepaling op een anterieur feit in geval van veranderd inzicht in de strafwaardigheid van het feit. Het anterieure feit is in de onderhavige context het omschrijven van het verwijtbare gedrag in een telastelegging die als grondslag van het strafrechtelijk onderzoek ter terechtzitting zal dienen. Omschrijft de steller van de telastelegging die te verwijten feiten op een manier die niet aan geldende rechtseisen voldoet dan zal de telastelegging nietig geoordeeld kunnen worden. Aan de wet van 14 september 1995 wordt terugwerkende kracht toegekend als zij rechtsgevolgen zou verbinden aan feiten van voor haar inwerkingtreding. En daarop komt volgens mij de opvatting van de steller van het middel neer. Meteen is ook duidelijk waarom die opvatting niet kan opgaan. De wet van 14 september 1995 bepaalt nergens uitdrukkelijk dat de wijziging van art.261 Sv terugwerkende kracht zal hebben. Voor die wet geldt, behoudens een bijzondere overgangsregel in art. III, de gewone hoofdregel van strafvorderlijk overgangsrecht; de wetswijziging geldt voor de toekomst vanaf het tijdstip van inwerkingtreding. Zij verbindt voor het toekomende, dus voor de wijze waarop na inwerkingtreding telasteleggingen zullen moeten worden opgesteld. Aangezien in de onderhavige zaak de inleidende dagvaarding is uitgebracht voor de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zou het hof het vernieuwde art.261 Sv van terugwerkende kracht hebben voorzien als het hof rechtsgevolgen zou hebben verbonden aan het ontbreken van een vermelding van de wetsartikelen in die dagvaarding.

Voor de appeldagvaarding heeft het ontbreken van een vermelding geen gevolgen omdat art.261 Sv op de dagvaarding in hoger beroep niet van toepassing is. Omdat de inleidende dagvaarding niet hoefde te voldoen aan de nieuwe eisen in art.261 Sv was het hof ook niet gehouden enig onderzoek in te stellen naar de rechtsgevolgen die aan dat 'verzuim' zouden moeten worden verbonden.

Het middel faalt.

6. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot cassatie aanleiding behoort te geven.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

Verandering van wetgeving, p.21 e.v. Zie voorts de annotatie van G.Knigge onder HR NJ 1996,733.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?