Nr. 105.397
Zitting 20 mei 1997
Mr Machielse
Conclusie inzake :
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. De economische politierechter in de rechtbank te Middelburg heeft op 16 september 1996 verzoeker voor "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art.93 van de Wet op de Bedrijfsorganisatie" veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden.
2. Mr W. Tiggelaar, advocaat te Middelburg, heeft tijdig beroep in cassatie aangetekend. Mr L.J.L. Heukels, advocaat te Haarlem, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.
3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1996 heeft de raadsman daar het volgende betoogd:
"Alle veehouders zijn verplicht lid van het K C.R. en betalen voor dit lidmaatschap. Hier geldt de Algemene Wet Binnentreding en deze gaat boven de in de telastelegging genoemde Verordening.
De K C.R. is een verkapte A.ID. of overheidsinstelling en derhalve geldt deze wet ook voor hen.
De K C.R. hadden geen machtiging en de tweede maal was er ook geen hulpoffcier van justitie bij aanwezig. De binnentreding was dus onrechtmatig en al het bewijs hieruit onrechtmatig verkregen."
In de aantekening mondeling vonnis heeft de economische politierechter het verweer verworpen, omdat het enkele weigeren van de medewerking aan het toezicht reeds strafbaar is.
4. Het middel klaagt dat de economische politierechter ten onrechte heeft overwogen dat zonder meer art.7 van de Verordening PVV Kwaliteitscontrole Rundersector 1994 tot alle medewerking verplichtte. Uit de toelichting op het middel maak ik op dat het bezwaar van verzoeker erin is gelegen dat de economische politierechter zou hebben miskend dat verzoeker alleen verplicht zou zijn tot medewerking als aan alle vormvoorschriften, meer bepaald het in de Algemene wet op het binnentreden gestelde, zou zijn voldaan.
5. Het komt mij voor dat twee zaken goed van elkaar moeten worden onderscheiden; de verplichting medewerking te verlenen met betrekking tot de uitoefening van het toezicht enerzijds en de situaties waarop de Algemene wet op het binnentreden ziet.
Art.7 van de Verordening PVV Kwaliteitscontrole Rundersector 1994 verplicht de ondernemer medewerking te verlenen aan de uitoefening van het toezicht op de naleving van de Verordening verbod toediening bepaalde stoffen met hormonale werking 1987 (PVV) en van de Verordening stoffen met symathico mimetische werking 1991 (PVV). Dat toezicht kan bestaan in monsterneming op de wijze als bepaald in bijlage II van het Uitvoeringsbesluit Verordening PVV kwaliteitscontrole rundersector 1994. De ondernemer moet dus toelaten dat urinemonsters van runderen worden genomen en daartoe de controleurs de nodige medewerking verschaffen. Vast staat dat verzoeker aanvankelijk aan de controleurs niet heeft toegestaan de monsters te nemen. Daardoor is het strafbaar feit gepleegd. Wat daarna is geschied is voor dat strafbaar feit niet meer van belang.
Pas als een woning zou moeten worden binnengetreden om de controle uit te voeren zou de Algemene wet op het binnentreden in beeld kunnen komen. Dan is legitimatie en mededeling van het doel van de komst nodig. En eerst als geen toestemming wordt gegeven de woning te betreden moet aan de bijzondere eisen van § 2 van de Algemene wet op het binnentreden, waaraan de toelichting op het middel refereert, worden voldaan. Een betreden van de woning van verzoeker tegen diens verklaarde wil is in deze zaak door de politierechter niet vastgesteld. Evenmin is daarvoor een rechtstreeks en ernstig vermoeden te putten uit hetgeen op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest.
Het middel is vruchteloos voorgesteld.
6. Ambtshalve wijs ik er nog op dat wel blijkt dat verzoeker het laatste woord heeft gehad nadat de officier van justitie had gerepliceerd en nadat de politierechter nog zijn mening over art.7 Verordening had gegeven, maar niet dat ook de raadsman van verzoeker na de repliek van de officier nog het woord heeft gekregen. En dat kwam hem op grond van art.331 lid 1 WvSv toe.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden