Mr Van Dorst
Conclusie inzake:
OM – [verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het cassatieberoep van de Procureur-generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden richt zich tegen een arrest van zijn hof van 10 maart 1997 voorzover de verdachte daarbij is vrijgesproken van de hem tenlastegelegde verkrachting. Het betreft de geruchtmakende zaak waarin een slaapdronken vrouw geslachtsgemeenschap had met een man die bij haar in bed was gekropen en die zij, naar later bleek: ten onrechte, voor haar vriend had gehouden.
2. Het hof heeft de vrijspraak al volgt gemotiveerd:
“Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus sub 1 aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Met name acht het hof – evenals de rechtbank – niet bewezen dat er sprake is geweest van dwang als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht.”
3. De procureur-generaal stelt dat het hof een onjuiste betekenis heeft toegekend aan de term “dwang” in de zin van art. 242 Sr. Hij betoogt dat uit de verklaringen van de verdachte en de vrouw kan worden afgeleid dat te dezen sprake was van door een feitelijkheid dwingen tot geslachtsgemeenschap. Voorts geeft de procureur-generaal uitvoerige beschouwingen aangaande de uitdrukking “een feitelijkheid”, waaronder zijns inziens ook te verstaan is een hoogst bedenkelijke vorm van misleiding, en de term “dwingen”, waarvan naar zijn oordeel in casu sprake is nu de vrouw zich gedwongen voelde toe te geven.
4. Het middel miskent dat – behoudens in gevallen die hier niet aan de orde zijn – een vrijspraak in cassatie slechts kan worden getoetst indien de rechter bij het geven van zijn beslissing de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en aldus heeft vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd. Zie HR NJ 1995, nt Kn. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Uit vorenvermelde overweging blijkt immers niet om welke reden het hof niet bewezen heeft geacht dat er sprake is geweest van dwang als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve kan niet worden gezegd dat het hof door te oordelen als het heeft gedaan de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Vgl. HR NJ 1993, 102 en DD 92.207. Het beroep op de verklaringen van de verdachte en de vrouw kunnen hieraan niet afdoen, reeds omdat het hof omtrent de inhoud van die verklaringen niets heeft vastgesteld.
5. Uit het voorgaande volgt dat het te dezen niet gaat om een andere vrijspraak dan waarop art. 430 lid 1 Sv het oog heeft, zodat de procureur-generaal niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep. Deze voorspelling deden trouwens De Jong en Van der Neut reeds in hun artikel List, onmacht en verkrachting, NJB 1997 blz. 1067, hetwelk mede naar aanleiding van de onderhavige zaak is geschreven. Daarin (blz. 1068) wordt overigens terecht aangestipt dat het OM in deze zaak uitsluitend voor het anker van art. 242 Sr is gaan liggen; vgl. daarover ook NLR, aant. 3 bij art. 243, inclusief voetnoot 1 op blz. 743 (suppl. 91). Zie over dit onderwerp voorts Rozemond, De teleologie van de bewusteloosheid en de lichamelijke onmacht, NJB 1997 blz. 1332.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de procureur-generaal in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,