Nr. 108.640
Zitting 6 oktober 1998
Mr Machielse
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens overtreding van art. 19 RVV 1990 is verzoeker bij vonnis van de rechtbank te Breda veroordeeld tot een geldboete van tweehonderdvijftig gulden subsidiair vijf dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie maanden voorwaardelijk.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. De inleidende dagvaarding is op 1 maart 1996 uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats] aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde het stuk aan de verdachte door te geven. De behandeling ter terechtzitting van de kantonrechter heeft bij verstek plaatsgehad. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat is gecontroleerd of verdachte ten tijde van de betekening wel op dat adres stond ingeschreven. De betekening van de inleidende dagvaarding is nietig.
4. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,