Rolnummer C 98/020 HR
Zitting 16 april 1999
Mr Bakels
Conclusie inzake
[eiseres] B.V.
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar college,
1. Feiten en procesverloop
1.1. In deze arbeidszaak gaat het kort gezegd om de vraag of de rechtbank op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat het wegens een arbeidsongeschiktheid van langer dan twee jaar aan [verweerder] gegeven ontslag, kennelijk onredelijk was.
1.2 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(a) [verweerder] is op 24 september 1970 bij [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres]) in dienst getreden als sloper/sorteerder, laatstelijk tegen een salaris van f 2.825,00 bruto per maand.
(b) Nadat [verweerder] langer dan twee jaar arbeidsongeschikt was geweest, heeft [eiseres] per 1 september 1995 de arbeidsovereenkomst met hem opgezegd, nadat zij daartoe van de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening toestemming had verkregen.
1.3 Tegen deze achtergrond heeft [verweerder] in een procedure bij het kantongerecht te Tiel - ingeleid bij dagvaarding van 26 september 1995 - een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslag kennelijk onredelijk is geweest wegens het ontbreken van een passende vergoeding. Tevens vorderde hij een schadevergoeding van f 100.000, -. Daartoe beriep [verweerder] zich met name op zijn leeftijd en arbeidsongeschiktheid, de duur van het dienstverband (25 jaar), het ontbreken van een aanvulling van de werkgever op de door hem ontvangen uitkeringen en het ontbreken van een pensioenvoorziening.
[eiseres] heeft de vordering gemotiveerd betwist.
1.4 Nadat onder meer een comparitie was gehouden, heeft de kantonrechter bij vonnis van 30 oktober 1996 de vordering afgewezen. In zijn overwegingen betrok de kantonrechter met name het evidente belang van [eiseres] om de arbeidsovereenkomst na twee jaren arbeidsongeschiktheid te beëindigen, nu [verweerder] niet meer in staat was de bedongen werkzaamheden te verrichten.
1.5 [verweerder] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij de rechtbank te Arnhem.
1.6 De rechtbank heeft bij vonnis van 25 september 1997 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de gevraagde verklaring voor recht alsnog gegeven. Voorts heeft zij [eiseres] veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van een schadevergoeding van f 30.000,- bruto. De rechtbank heeft daartoe, samengevat weergegeven en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
(a) Het enkele feit dat [verweerder] van [eiseres] geen financiële tegemoetkoming heeft ontvangen, maakt de beëindiging van het dienstverband niet zonder meer kennelijk onredelijk. De belangen van de werkgever bij beëindiging moeten worden afgewogen tegen de gevolgen daarvan voor de werknemer (rov. 3).
(b) In dit geval is sprake van een kennelijke onredelijke beëindiging van het dienstverband omdat de gevolgen van het ontslag voor [verweerder], mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en zijn mogelijkheden om passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [eiseres] bij beëindiging. Daarbij is met name van belang dat het oordeel van de arbeidsdeskundige van de GMD, zoals neergelegd in diens brief van 31 maart 1994, de conclusie rechtvaardigt dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] is veroorzaakt door, althans nauw samenhangt met het bij [eiseres] verrichte werk (rov. 3).
(c) Mede gelet op de lange duur van het dienstverband, de leeftijd van [verweerder] ten tijde van het ontslag en de beperkte mogelijkheden voor [verweerder] om ander passend werk te vinden, ligt een financiële vergoeding in de rede (rov. 3).
(d) Het verweer van [eiseres] dat zij niet over de financiële middelen beschikt om een vergoeding hoger dan één bruto maandsalaris te voldoen, wordt verworpen omdat de daartoe aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd (rov. 4).
(e) Gelet op de overige omstandigheden (genoemd onder c) is een vergoeding van f 30.000,- bruto redelijk en billijk (rov. 5).
1.7 [eiseres] heeft tegen dit vonnis - tijdig en onder aanvoering van vier middelen - cassatieberoep ingesteld. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten door hun advocaten schriftelijk doen toelichten.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1 Zoals aangegeven onder 1.6 (b) van deze conclusie heeft de rechtbank haar oordeel met name daarop gebaseerd, dat uit een tot de gedingstukken behorende brief van het GMD van 31 maart 1994 blijkt dat de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] (kennelijk) is veroorzaakt door, althans nauw samenhangt met zijn bij [eiseres] verrichte werk.
Deze brief luidt als volgt, voorzover thans van belang:
"Tijdens mijn bezoek aan uw bedrijf heb ik gekeken naar het werk van [verweerder] en de lichamelijke belasting in dit werk. Op grond hiervan heb ik moeten concluderen dat [verweerder], gezien de belasting in zijn eigen werk en zijn lichamelijke belastbaarheid, arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk. Binnen uw bedrijf waren er ook geen passende alternatieven voor belanghebbende.
Uit nadere analyse van de belastbaarheid van [verweerder] en de belasting in velerlei andere functies op de vrije arbeidsmarkt bleek [verweerder] volledig arbeidsgeschikt te zijn voor passend werk elders. ( ... )"
2.2 Ook met goede wil kan ik in deze brief niet lezen wat de rechtbank erin leest. De arbeidsdeskundige constateert slechts - in mijn woorden - dat het werk dat [verweerder] tot dan toe in het bedrijf van [eiseres] verrichtte, voor hem te zwaar is geworden en dat binnen dat bedrijf geen passende alternatieven voorhanden zijn. Anders dan de rechtbank in deze brief heeft ingelezen, wordt daarin geen oordeel gegeven over de reden waarom [verweerder] zijn werk niet meer aankon. Meer in het bijzonder valt daarin niet te lezen, ook niet impliciet, dat die ongeschiktheid is veroorzaakt door het werk dat [verweerder] in dienst van [eiseres] heeft moeten verrichten.
2.3 Daarbij komt dat de desbetreffende brief door [eiseres] is overgelegd ter toelichting van haar verweer dat [verweerder] arbeidsongeschikt is geraakt en dat voor hem in haar bedrijf geen alternatieven voorhanden zijn. [verweerder] zelf heeft zich - begrijpelijkerwijs, gezien het vorenstaande - niet op die brief beroepen, ook niet ter toelichting van zijn tot twee keer toe uitgesproken vermoeden dat er een verband bestaat tussen zijn gezondheidsklachten en de aard van het in dienst van [eiseres] verrichte werk. Voorzover de rechtbank in dit licht al binnen de grenzen van de rechtsstrijd is gebleven, dragen deze omstandigheden in elk geval bij tot de onbegrijpelijkheid van haar uitleg van de brief.
2.4 Onderdeel i.ii, dat hierover klaagt, treft dus m.i. doel. Nu het hier gaat om de voornaamste grond voor het bestreden oordeel ("met name") en de overige door de rechtbank in haar overwegingen betrokken omstandigheden slechts van bijkomende aard zijn geweest ("mede gelet op"), moet het slagen van dit onderdeel tot vernietiging en verwijzing leiden.
2.5 Daarom behoeven de overige middelen en onderdelen geen bespreking meer. Voor het geval de Hoge Raad hierover anders zou oordelen, maak ik over die overige klachten echter nog de volgende opmerkingen.
2.6 In onderdeel i.i wordt ingegaan op de betekenis die de rechtbank heeft toegekend aan de omstandigheid dat de mogelijkheden voor [verweerder] om ander passend werk te vinden beperkt zijn. Het onderdeel voert daartegen aan dat alleen de leeftijd van [verweerder] alsmede zijn arbeidsongeschiktheid voor het bedrijf van [eiseres] vaststaat, terwijl hij overigens wél arbeidsgeschikt is bevonden. [verweerder] leeftijd op zichzelf bezien is echter onvoldoende reden om een vergoedingsplicht van [eiseres] aan te nemen.
2.7 Het onderdeel kan niet slagen omdat het feitelijke grondslag mist. Als bijkomende omstandigheden heeft de rechtbank immers ook genoemd de lange duur van het dienstverband en de beperkte mogelijkheden voor [verweerder] om ander passend werk te vinden. Onbegrijpelijk is die overweging niet, nu [eiseres] heeft aangevoerd dat zijn mogelijkheden om weer aan de slag te kunnen klein zijn aangezien hij van buitenlandse afkomst is, geboren is in 1946 en een dienstverband van 25 jaar bij [eiseres] achter de rug heeft. Dit is van de zijde van [eiseres] niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. Zij heeft immers volstaan met de opmerking dat [verweerder] niet algeheel arbeidsongeschikt is, doch slechts ongeschikt voor het werk bij [eiseres].
2.8 Onderdeel i.iii verwijt de rechtbank dat zij in haar afweging van de betrokken belangen, het belang van [eiseres] bij de beëindiging van het dienstverband buiten beschouwing heeft gelaten.
2.9 Deze klacht mist doel, wederom bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3 heeft de rechtbank tot twee keer toe - zij het in zijn algemeenheid - de belangen van [eiseres] bij de beëindiging van het dienstverband aangehaald. Mede gezien de opbouw van de motivering tegen de achtergrond van de desbetreffende wettelijke bepaling, heeft de rechtbank de belangen van partijen dus wel tegen elkaar afgezet. Zij was niet gehouden het (evidente) belang van [eiseres] bij dat ontslag nog eens meer specifiek te noemen.
2.10 Onderdeel i.iv heeft geen zelfstandige betekenis en kan dus niet tot cassatie leiden.
2.11 Middel ii komt op tegen rov. 4 van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank het verweer van [eiseres] dat zij onvoldoende financiële draagkracht heeft, verwerpt op de grond dat de daartoe aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd. Het middel voert daartegen (onder ii.i) aan dat de desbetreffende stellingen van [eiseres], niet (voldoende gemotiveerd) door [verweerder] zijn betwist en dat hij zelfs heeft erkend dat [eiseres] in economische moeilijkheden verkeert. Daarom heeft de rechtbank "de perken van de rechterlijke lijdelijkheid ( ... ) overschreden".
2.12 De klacht faalt reeds omdat het middel eraan voorbij ziet dat de rechter een onvoldoende gemotiveerde stelling of verweer niet behoeft te bespreken, ongeacht de vraag of die stelling dan wel dat verweer door de wederpartij voldoende gemotiveerd is betwist.
Overigens heeft [verweerder] het bestaan van die economische moeilijkheden niet erkend, maar deze - als onbewezen - betwist.
2.13 Onderdeel ii.ii bevat een klacht over het passeren van het bewijsaanbod dat [eiseres] in dit verband heeft gedaan.
2.14 De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat de rechter niet gehouden is een partij in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van een onvoldoende gemotiveerde stelling.
2.15 Middel iii is eveneens gericht tegen rov. 4. De strekking van het middel is dat de rechtbank kennelijk ervan uitgaat dat het ontslag van [verweerder] - uitsluitend - samenhangt met zijn arbeidsongeschiktheid gedurende twee jaar. Dusdoende gaat de rechtbank echter eraan voorbij dat een ontslag om die reden, vanuit de werkgever bezien wel degelijk om bedrijfseconomische redenen geschiedt.
2.16 Dit middel faalt reeds omdat het een nieuwe ontslaggrond ten tonele voert, die niet aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst ten grondslag heeft gelegen en ook overigens niet eerder in de procedure aan de orde is geweest. Aldus bevat het middel een ongeoorloofd novum.
Het middel kan bovendien geen doel treffen omdat in het desbetreffende door [eiseres] overgelegde vonnis - dat in een andere afvloeiingszaak waarbij [eiseres] partij was, is gewezen - wordt gememoreerd dat [eiseres] een verbrandingsoven heeft moeten sluiten en dat haar een claim boven het hoofd hangt wegens milieuvervuiling. Het is niet onbegrijpelijk dat
de rechtbank die omstandigheden als een onvoldoende onderbouwing heeft aangemerkt van de gestelde financiële moeilijkheden van [eiseres], bij gebreke aan een cijfermatige specificatie van de consequenties daarvan en/of van de jaarstukken van de onderneming van [eiseres].
2.17 Middel iv verwijt de rechtbank dat zij in rov. 5 verwijst naar "de overige omstandigheden van deze zaak, te weten de lange duur van het dienstverband van [verweerder], zijn leeftijd en zijn beperkte kansen op de arbeidsmarkt". Volgens het middel is in dit opzicht geen sprake van "overige" omstandigheden omdat de rechtbank deze ook al in rov. 3 heeft genoemd.
2.18 Het middel kan niet slagen. Het is niet onbegrijpelijk dat de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van het ontslag zelf, eveneens aan de orde komen bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, in aanmerking genomen dat dit ontslag kennelijk onredelijk is geacht.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem. [verweerder] dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,