Rek.nr. R99/009HR Mr Strikwerda
Parket, 10 sept. 1999 conclusie inzake
C.M.A. Kruitwagen
tegen
H.E.B. Zuiverloon
Edelhoogachtbaar College,
1. De partijen in dit geding zijn op 25 oktober 1957 met
elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 22 juli 1982 ontbonden door
inschrijving van het echtscheidingsvonnis van de Rechtbank te
Haarlem van 16 maart 1982 in de registers van de burgerlijke
stand. In genoemd echtscheidingsvonnis is de man (thans ver
weerder in cassatie) veroordeeld om aan de vrouw (thans ver
zoekster van cassatie) een bijdrage in de kosten van haar
levensonderhoud te betalen van f 2.000,- per maand. Bij be
schikking van de Rechtbank te Haarlem van 18 december 1992 is
de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de
vrouw nader vastgesteld op een bedrag van f 2.200,-.
2. Op 15 augustus 1997 heeft de man bij de Rechtbank te 's-
Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend strekkende tot
wijziging van de zojuist genoemde beschikking van de Rechtbank
te Haarlem in die zin dat hij primair heeft verzocht zijn
onderhoudsverplichting jegens de vrouw per 22 juli 1997 te
beëindigen en subsidiair de onderhoudsbijdrage te verminderen en
vast te stellen op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
In cassatie gaat het nog slechts om het primaire verzoek. De
man heeft dit verzoek, kennelijk met een beroep op art. II lid
2 van de Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 324, zoals
gewijzigd bij wet van gelijke datum, Stb. 1994, 325 (hierna:
Wet limitering na scheiding), gegrond op het feit dat op 22
juli 1997 zijn onderhoudsverplichting 15 jaar heeft geduurd.
3. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden. Zij
heeft, wat het primair verzochte betreft, gesteld dat beëindi
ging van de alimentatieverplichting voor haar te ingrijpend
zal zijn. De vrouw heeft in dat verband aangevoerd dat zij dan
genoodzaakt zal zijn een uitkering ingevolge de Algemene
Bijstandswet aan te vragen hetgeen een aanzienlijke inkomenda
ling tot gevolg zal hebben.
4. Bij beschikking van 3 maart 1998 heeft de Rechtbank zowel
het primaire als het subsidiaire verzoek van de man afgewezen.
Ten aanzien van het primaire verzoek was de Rechtbank van
oordeel dat in deze zaak beëindiging van de alimentatie met
ingang van 22 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat deze
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de
vrouw kan worden gevergd. Daarbij hechtte de Rechtbank belang
het feit dat (a) het huwelijk van partijen de verdiencapaci
teit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, (b) beëindiging
van de alimentatie leidt tot een aanmerkelijke inkomensdaling
bij de vrouw, en (c) de vrouw tot op heden geen recht op
pensioenverrekening heeft.
5. Op het hoger beroep van de man heeft het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch bij beschikking van 18 november 1998 de
beschikking van de Rechtbank evenwel vernietigd en de alimen
tatieverplichting van de man met ingang van 1 juli 1999 beëin
digd. Het Hof is bij zijn beslissing (kennelijk) uitgegaan van
de volgende feiten en omstandigheden (r.o. 4.5):
(i) De vrouw heeft tijdens het huwelijk ongeveer 20 jaar, tot
1980, gewerkt. Zij verrichtte werkzaamheden als medewerkster
bij het post sorteren en als gediplomeerd kinderverzorgster in
de peuteropvang, voor 3 à 4 uur per dag, gedurende 5 dagen per
week.
(ii) Op het moment van de echtscheiding was de vrouw 44 jaar
oud en had zij niet meer de dagelijkse zorg over de inmiddels
meerderjarige kinderen van partijen.
(iii) Bij toewijzing van het limiteringsverzoek zal de vrouw
in netto-inkomen teruggaan van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar
het bijstandsniveau voor een alleenstaande.
(iv) Aan de vrouw is in 1989 een bedrag van f 65.000,- uitge
keerd.
(v) De vrouw - die in februari 1999 62 jaar is geworden -
heeft een beperkt eigen ouderdomspensioen opgebouwd van f
3.314,- bruto per jaar. Zij heeft bij de echtscheiding geen
rechten op het pensioen van de man verkregen. Op 14 augustus
1997 is de vrouw een procedure jegens de man gestart waarin
zij onder meer vordert de man te veroordelen tot medewerking
aan verdeling van de pensioenrechten zoals opgebouwd tot einde
huwelijk.
(vi) De vrouw heeft verklaard een huurlast van f 1.185,- per
maand te hebben.
Gelet op deze feiten en omstandigheden is het Hof tot het
oordeel gekomen dat beëindiging van de alimentatieverplichting
van de man weliswaar ingrijpend is, maar niet van zo ingrij
pende aard, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden (r.o. 4.6).
Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen
"dat de verdiencapaciteit van de vrouw slechts in beperk
te mate nadelig beïnvloed is geweest. Zij heeft tijdens
huwelijk een langdurig arbeidspatroon gekend dat aansloot
bij haar opleiding. Ten tijde van de huwelijksontbinding
was er slechts een relatief korte arbeidsloze periode en
had zij geen minderjarige kinderen meer te verzorgen.
Weliswaar bestaat er thans nog geen duidelijkheid over de
kwestie van de pensioenverevening maar de vrouw heeft
voldoende gelegenheid gehad om gelet op de uitkering in
1989 aanvullende voorzieningen te treffen naast haar
beperkt ouderdomspensioen."
6. De vrouw is tegen de beschikking van het Hof (tijdig) in
cassatie gekomen met één middel. De man heeft een verweer
schrift ingediend en daarbij verzocht het beroep te verwerpen.
7. Het middel richt zich tegen het in r.o. 4.6 van 's Hof
beschikking neergelegde oordeel dat, gelet op de in r.o. 4.5
van die beschikking opgesomde feiten en omstandigheden, beëin
diging van de alimentatieverplichting van de man weliswaar
ingrijpend is, maar niet van zo ingrijpende aard, dat deze
naar maatstaven van redelijkheid niet van de vrouw kan worden
gevergd. Het middel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een
onjuiste rechtsopvatting en/of onvoldoende begrijpelijk is
gemotiveerd. Het Hof zou een onjuiste afweging van belangen
hebben gemaakt en niet hebben voldaan aan de zware motive
ringseisen die moeten worden gesteld aan een beslissing als de
onderhavige.
8. De Hoge Raad heeft in een drietal beschikkingen, alle van
26 maart 1999, RvdW 1999, 52C, 53C en 54C, aanwijzingen gege
ven voor de toepassing van de in het tweede lid van art. II
van de Wet limitering na scheiding vervatte uitzonderingsre
gel. Als uitgangspunt stelt de Hoge Raad in die beschikkingen
voorop dat aan beslissingen waarin het beroep van de alimenta
tiegerechtigde op de uitzondering aanstonds wordt verworpen
dan wel slechts voor een beperkte termijn en met de uitslui
ting van de mogelijkheid van verlenging van de termijn in
verband met hun ingrijpend karakter hoge motiveringseisen
moeten worden gesteld. De Hoge Raad vervolgt (ik citeer uit HR
26 maart 1999, RvdW 54C, r.o. 3.3):
"Ter beantwoording van de voor het beroep op voormelde
uitzondering beslissende vraag of de beëindiging van de
uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maat
staven van redelijkheid en billijkheid niet van degene
die tot de uitkering is gerechtigd, kan worden gevergd,
dienen - teneinde te beoordelen of toepassing van de
hoofdregel in dit individuele geval hoogst onrechtvaardig
zou zijn - alle relevante omstandigheden van het geval,
zowel die aan de zijde van de tot alimentatie gerechtigde
als die aan de zijde van de alimentatieplichtige in
aanmerking te worden genomen en in onderling verband te
worden gewogen. (...).
De hoge motiveringseisen brengen daarom mee dat de rech
ter, indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemoti
veerd stelt dat voor toepassing van de uitzondering grond
is en de feiten waarop deze stelling steunt bij betwis
ting, althans voor zover het gaat om omstandigheden van
de alimentatiegerechtigde, aannemelijk maakt, bij het
nemen van de beslissing als hiervoor bedoeld moet doen
uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft
genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken.
Terwille van de hanteerbaarheid van het systeem dient
daarbij evenwel als vuistregel te worden aanvaard dat
ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimenta
tiegerchtigde geen of slechts een relatief onbetekenende
terugval in inkomen ten gevolge heeft, de rechter in
beginsel zonder meer, en met name zonder in zijn motive
ring de verdere omstandigheden van het geval te hoeven
betrekken, mag aannemen dat het beroep op de uitzondering
faalt. In uitzonderlijke gevallen zal voor toepassing van
deze vuistregel echter geen plaats zijn. Dat zal zo zijn
indien de verdere omstandigheden van het geval onmisken
baar zó zwaarwegende billijkheidsargumenten tegen afwij
zing van het beroep op de uitzondering opleveren, dat de
rechter daaraan in zijn motivering niet voorbij kán gaan
en moet laten uitkomen dat en hoe hij ook die verdere
omstandigheden in zijn afweging heeft betrokken."
9. Waar het Hof ervan is uitgegaan dat de vrouw bij toewij
zing van het limiteringsverzoek in netto-inkomen zal teruggaan
van ca. f 1.800,- à f 1.900,- naar het bijstandsniveau voor
een alleenstaande, kan niet gezegd worden dat in het onder
havige geval de beëindiging van de uitkering voor de vrouw
geen of slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen
ten gevolge heeft. Voor toepassing van de door de Hoge Raad be
doelde vuistregel is dus geen plaats. Het Hof had dan ook alle
relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde
van de vrouw als die aan de zijde van de man, in aanmerking
moeten nemen en in onderling verband moeten wegen en het Hof
had in zijn beschikking moeten doen uitkomen welke omstan
digheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in
zijn afweging heeft betrokken.
10. Aan deze hoge motiveringseisen voldoet 's Hof beslissing
naar mijn oordeel niet. Het Hof heeft onvoldoende duidelijk
gemaakt waarom beëindiging van de alimentatieverplichting van
de man per 1 juli 1999 naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid van de vrouw kan worden gevergd. Met name blijkt
niet of en, zo ja, hoe het Hof omstandigheden aan de zijde van
de man, met name diens financiële omstandigheden, in zijn
afweging heeft betrokken. Aldus heeft het Hof miskend dat alle
relevante omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te
worden genomen en dat de financiële omstandigheden van de
alimentatieplichtige in beginsel niet zonder belang zijn voor
het antwoord op de vraag wat naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid van ieder van partijen kan worden gevergd. De
daarop gerichte klacht van het middel treft dan ook naar mijn
oordeel doel.
11. Bovendien is zonder nadere motivering - welke ontbreekt -
niet begrijpelijk hoe het Hof heeft kunnen oordelen dat de
vrouw, al aangenomen dat haar financiële omstandigheden in
1989 haar voldoende ruimte lieten om de toen ontvangen uitke
ring geheel of ten dele aan te wenden om een aanvullende
pensioenvoorziening te treffen (de vrouw heeft dat gemotiveerd
ontkend), een zodanige voorziening had kunnen treffen dat zij
de terugval in inkomen juist per 1 juli 1999 (de vrouw is in
februari 1999 62 jaar oud geworden) had kunnen opvangen. Ook
de daarop gerichte klacht van het middel komt mij derhalve
gegrond voor.
12. Op grond van dit een en ander meen ik dat het middel doel
treft en dat de bestreden beschikking niet in stand kan blij
ven. Na verwijzing zullen ter beantwoording van de vraag of de
beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat
deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van
de vrouw kan worden gevergd alsnog alle relevante omstandighe
den van het geval, ook die aan de zijde van de man, in aanmer
king dienen te worden genomen en in onderling verband dienen
te worden gewogen.
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschik
king van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en tot verwijzing
van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een
ander gerechtshof.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,