ECLI:NL:PHR:2000:3

ECLI:NL:PHR:2000:3, Parket bij de Hoge Raad, 30-05-2000, 00611/99

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 30-05-2000
Datum publicatie 21-07-2025
Zaaknummer 00611/99
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2000:ZD1805
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002628

Samenvatting

Leerplichtwet

Uitspraak

Mr. Fokkens

Nr. 00611/99

Zitting 30 mei 2000

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door de Rechtbank te Breda veroordeeld wegens overtreding van art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 tot een geldboete van fl 200, subsidiair vier dagen vervangende hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. J. de Jong van Lier, advocaat te Enschede, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat art. 8 EVRM, art. 12 leden 1 en 2 IVBPR en art. 3 lid 1 IVKR zouden zijn geschonden.

Art. 8 EVRM zou zijn geschonden, omdat art. 2 Leerplichtwet 1969 een inbreuk zou maken op het recht op 'family life' neergelegd in art. 8 lid 1 EVRM, die niet zou worden gelegitimeerd door één van de in art. 8 lid 2 EVRM genoemde belangen. Art. 12 IVBPR zou zijn geschonden, omdat de inbreuk op het recht om zijn eigen land te verlaten en het recht zich op dit grondgebied vrijelijk te verplaatsen, niet wordt gelegitimeerd door één van de in art. 12 lid 2 genoemde belangen.

Tot slot wordt betoogd dat in strijd met art. 3 lid 1 IVRK de belangen van het kind niet op de eerste plaats zijn gezet bij het uitvoering geven van de Leerplichtwet 1969.

4. Art. 8 EVRM luidt als volgt:

' 1. Everyone has the right for respect for his private and family life, his home and his correspondence. 2. There shall be no interference by a public authority with the exercise of this right except such as is in accordance with the law and is necessary in a democratic society in the interest of national security, public safety or the economic well-being of the country, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.'

5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte het volgende verweer gevoerd:

'Het niet verlenen van verlof is bovendien in strijd met artikel 8 van het Ver- drag van Rome (EVRM). In het licht van dat artikel moet het individuele kind voorop worden gesteld en wordt uitgegaan van het primaat van het gezag van de ouders.'

6. De rechtbank heeft het verweer als volgt verworpen:

'In de Leerplichtwet zijn ( ... ) vrijstellingen opgenomen, die voorzien in mogelijkheden om in een afwijkende vakantieperiode op vakantie te gaan. Derhalve kan niet worden gesteld dat er inbreuk is gemaakt op het principe van respect voor 'family life'.

7. In de rechtspraak van het EHRM noch in die van uw Raad heb ik uitspraken aangetroffen die in het bijzonder zien op de verhouding tussen de plicht kinderen onderwijs te laten volgen (behoudens toestemming voor verlof buiten de vakanties) en het in art. 8 lid 1 EVRM neergelegde recht op 'family life'.

8. Met de steller van het middel ben ik van mening dat zonder meer sprake is van 'family life' tussen de vader, moeder en de zoon. Naar mijn mening is echter in de onderhavige omstandigheden geen sprake van schending van 'family life' in de zin van art. 8 lid 1 EVRM. Het naleven van art. 2 van de Leerplichtwet 1969 verandert niets aan de relatie tussen de ouders en het kind. Het kind wordt niet van de ouders gescheiden, in die zin dat 'family life' niet meer mogelijk is dan wel in serieuze mate wordt bemoeilijkt. Art. 2 Leerplichtwet 1969 beoogt alleen te waarborgen dat kinderen regelmatig naar school gaan. In het middel wordt verder niet duidelijk gemaakt waarin de schending van de 'family life' heeft bestaan.

9. Dit onderdeel van het middel is ondeugdelijk.

10. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het volgende verweer gevoerd.

'De Leerplichtwet verbiedt zich vrijelijk te verplaatsen en is daardoor in strijd met een hogere regeling (regeling: JWF), te weten artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

11. De rechter heeft het verweer als volgt verworpen:

De rechter verwerpt het verweer dat de Leerplichtwet in strijd is met een hogere regeling (het IVRK), nu zij van oordeel is dat het recht om het land te mogen verlaten hier niet in het geding is.'

12. Met recht wijst de steller van het middel erop dat de Rechtbank abusievelijk '(het (VRK)' in plaats van '(het IVBPR') in zijn verwerping van het verweer heeft opgenomen. Maar gelet op de inhoud van de zinsnede die daarop volgt is duidelijk dat wordt verwezen naar art. 12 IVBPR.

13. De raadsman stelt verder in het middel dat art. 12 IVBPR is geschonden. Deze bepaling luidt - voor zover van belang - als volgt:

'1. Everyone lawfully within the territory of a State shall, within that territory, have the right to liberty of movement and freedom to choose his residence.

2. Everyone shall be free to leave any country, including his own.

3. The above-mentioned rights shall not be subject to any restrictions except those which are provided by law, are necessary tot protect national security, public order, public health of morals or the rights and freedoms of others, and are consistent with the other rights recognized in the present Covenant.'

14. Art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 luidt:

'Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt.'

15. Anders dan de steller van het middel meent, wordt door art. 2 Leerplichtwet 1969 geen inbreuk gemaakt op het recht van eenieder om zich te verplaatsen of naar het buitenland te gaan. Art. 2 Leerplichtwet 1969 laat bovengenoemde rechten onverlet. Voomoemde bepaling vereist alleen dat de ouders die het gezag over een kind uitoefenen, hun kind de school waar het staat ingeschreven, geregeld laten bezoeken. Op de in art. 2 lid 1 bedoelde verplichting kan een uitzondering worden gemaakt. In art. 11 Leerplichtwet 1969 zijn de gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek opgenomen. Ingevolge art. 13a Leerplichtwet 1969 dient hiervoor verlof te worden verleend door het hoofd van de school. Daarnaast zijn er de gebruikelijke schoolvakanties. De Leerplichtwet 1969 staat derhalve niet aan de uitoefening van de in art. 12 IVBPR genoemde rechten in de weg.

Aan de in art. 12 lid 3 IVBPR genoemde gronden die een inbreuk op de in art. 12 lid 1 en 2 IVBPR rechten kunnen rechtvaardigen, wordt derhalve niet toegekomen.

16. Ook dit onderdeel van het middel is ondeugdelijk.

17. Tot slot stelt de steller van het middel zich op het standpunt dat art. 3 lid 1 IVRK is geschonden. Bij de totstandkoming van de leerplichtwet, meer in het bijzonder bij de wijziging van de leerplichtwet waarbij de leerplichtige leeftijd is verlaagd van 6 naar 5 jaar en bij de wijze waarop aan de leerplichtwet in het onderhavige geval uitvoering is gegeven, zouden de belangen van het individuele kind niet op de eerste plaats zijn gezet.

18. Art. 3 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind, Trb. 1990/170 luidt als volgt:

'Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.'

19. Voorzover in het middel wordt geklaagd over de wijze waarop in de onderhavige zaak aan de leerplichtwet uitvoering is gegeven, kan het niet tot cassatie leiden, nu in feitelijke aanleg hierover niet is geklaagd. Deze klacht kan alleen worden beoordeeld op grond van een waardering van de feiten waarvoor in beginsel in cassatie geen plaats is.

20. Art. 28 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind is een uitwerking van het in art. 3 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind neergelegde uitgangspunt dat aan dit Verdrag ten grondslag ligt. Hierin is bepaald dat de staten, partij bij het Verdrag, het recht op onderwijs erkennen en daarvoor faciliterende maatregelen dienen te treffen, waaronder het verplicht stellen van primair onderwijs. Hieruit volgt reeds dat ook het Verdrag inzake de rechten van het kind de leerplicht voor kinderen als een groot belang van de kinderen beschouwt.

21. De Nederlandse wetgever heeft voorzien, zoals in art. 28 IVRK is voorgeschreven aan de Verdragspartijen, in een wet waarin de leerplicht is geregeld. In art. 3 lid 1 Leerplichtwet is bepaald dat de verplichting tot schoolgaan aanvangt op de eerste schooldag van de maand volgende op de maand waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt. De Memorie van Toelichting merkt over de wijziging van de leerplicht van 6 naar 5 jaar het volgende op:

'Hoewel de meest verkieslijke situatie is het laten samenvallen van het begin van de leerplicht met de toelatingsleeftijd tot de basisschool, derhalve leerplicht vanaf 24 jaar, heb ik gemeend te moeten aansluiten bij de huidige ontwikkeling waarbij vrijwel alle vijfjarigen de kleuterschool bezoeken. Daarnaast is er een ontheffingsmogelijkheid opgenomen van ten hoogste 5 uur per week - die op grond van het tweede lid kan worden uitgebreid tot maximaal 10 per week - die is gegeven om overbelasting van het jonge kind te voorkomen. Het spreekt daarom vanzelf dat deze uren niet mogen worden opgespaard. Op de vierjarigen is de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing; een ontheffingsmogelijkheid is derhalve voor deze kinderen niet nodig.'

22. In de onder nr. 21 weergegeven passage heeft de Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen tot uitdrukking gebracht dat wel degelijk het belang van het individuele kind voorop is gesteld. In de Leerplichtwet 1969 is in art. 11a voorzien in de mogelijkheid kinderen voor kinderen van 5 jaar om een maximale ontheffing van 10 uur per week te krijgen. Dat betekent dat ze niet de gehele week naar school hoeven, als dat tot een overbelasting van het desbetreffende kind zou kunnen leiden gelet op zijn persoon dan wel persoonlijke omstandigheden.

23. Ook dit onderdeel van het middel is ondeugdelijk.

24. Het middel is ondeugdelijk in al zijn onderdelen.

Het middel kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vergelijk hiervoor het overzicht van de rechtspraak van het EHRM in P. van Dijk en G.J.H. Hoof (eds.), Theory and practice of the European Convention on Human Rights, Kluwer law international, 1998, p. 504 - 508. Door Verschraegen 'eine leitende Interpretationsmaxime der Konvention' genoemd. Hij voegt daaraan toe: Daher sind alle Bestimmungen im Lichte des Kindeswohls zuzulegen.' In: Die Kinderrechte-konvention, Wien: Manz Verlag 1996, p. 13. Kamerstukken II, 1982-1983, 17 628, nr. 3, p. 42.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?