Mr Fokkens
Nr. 112.068 Conclusie inzake:
Zitting 9 november 1999 [verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door de arrondissementsrechtbank te Middelburg veroordeeld wegens het als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op de weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen is afgesloten, tot een geldboete van fl. 500, 10 dagen vervangende hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen, 1 middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte op 4 september 1998 onverzekerd heeft gereden. Uit een verklaring ex art. 34 WAM zou blijken dat de verdachte op 4 september 1996 wel was verzekerd. 4. In het bestreden vonnis heeft de Rechtbank bewezen verklaard:
‘dat zij op 4 september 1996 te Hulst als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [nummer], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg 60, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.’
Daaraan heeft de Rechtbank een nadere bewijsoverweging toegevoegd inhoudende:
‘Het lid van de enkelvoudige appellen kamer heeft daarbij overwogen dat verdachte op 4 september 1996 omstreeks 14:17 uur zonder verzekering heeft gereden en dat daaraan niet af doet dat de auto op een later tijdstip mogelijk met terugwerkende kracht werd verzekerd.
6. Onder de gebezigde bewijsmiddelen heeft de Rechtbank een aanvullendproces-verbaal opgenomen van de Politie Zeeland, district Zeeuws-Vlaanderen, bureau: Hulst, zaaknummer: [nummer], d.d. 25 februari 1997, op ambtseed opgemaakt door E.J.J. Nagelkerke voornoemd, inhoudende:
‘Op 24 februari 1997 werd door mij telefonisch kontakt opgenomen met het hoofdkantoor van Zürich verzekeringsmaatschappij. Desgevraagd wed mij medegedeeld dat ik mij voor nadere informatie omtrent tijdstippen van afsluiten van verzekeringen moest melden bij de tussenpersoon van deze maatschappij te Axel.
Door mij is telefonisch kontakt opgenomen met assurantiekantoor de Ridder te Axel. Ik werd te woord gestaan door [medewerkster assurantiekantoor].
Ik kan mij de betreffende [verdachte] goed herinneren. Ook kan ik me goed herinneren de dag dat zij de verzekering voor haar auto bij ons kwam afsluiten. Dit is op 4 september 1996 geweest. Ik kan me zeer goed herinneren dat die [verdachte] na onze middagkoffiepauze is geweest. Wij drinken altijd om 15.00 uur koffie.’
7. De tenlastelegging en de hiervoor onder punt 4 genoemde bewezenverklaring houden in dat de verdachte, toen zij op 4 september 1996 de auto bestuurde, voor deze auto geen verzekering afgesloten had overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen. Dat dit het geval was kan volgen uit de gebezigde bewijsmiddelen. Voor zover het middel betoogt dat de rechtbank de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door in de bewezenverklaring het verwijt te lezen dat verdachte op 4 september 1996 om 14.17 niet verzekerd zou zijn, faalt het omdat de rechtbank terecht de tenlastelegging heeft verstaan als inhoudende het verwijt dat verdachte op enig tijdstip op 4 september 1996 een auto heeft bestuurd terwijl die auto niet verzekerd was, om vervolgens in de bewijsvoering vast te stellen dat dit om 14.17 uur is geschied.
8. Voor zover het middel klaagt over het oordeel dat aan het onverzekerd rijden om 14.17 uur niet afdoet dat later met terugwerkende kracht een verzekering is afgesloten faalt het eveneens. Als verdachte om 14.17 uur een ongeval had veroorzaakt, zou ten aanzien van de door dat ongeval veroorzaakte schade geen verzekering van kracht zijn geweest en zou het ook niet mogelijk zijn geweest - indien verdachte van dat ongeval op de hoogte was - naderhand een verzekering af te sluiten die de schade van dat ongeval zou dekken.1 Het oordeel van de rechtbank is juist.
Het middel ongegrond achtend concludeer ik dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Zie H.J.J. de Bosch Kemper, De WAM in werking, Kluwer, 1995, p. 14. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk maar die doen in casu niet ter zake. Vergelijk C.P. Roben, De action directe en de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen, Maklu Uitgevers, 1993, p. 178-179 en De Bosch Kemper t.a.p., p. 16-17.