Rek.nr. R99/068HR Mr Strikwerda
Parket, 10 dec. 1999 conclusie inzake
[verzoekster]
tegen
Gemeente Haarlem
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze bijstandzaak in cassatie nog uitsluitend om de vraag welke vrijheid de bepaling van art. 64 lid 1 ABW (oud) de rechter laat om te bepalen dat de terugbetaling van de verleende bijstand zal geschieden in een bedrag ineens dan wel in termijnen. De bepaling luidt:
"Indien het verhaal gemaakte kosten betreft, stelt de kantonrechter het bedrag vast dat, tot een aangegeven totaalsom, geregeld aan het verhalend lichaam zal worden voldaan. Hij kan een bedrag vaststellen dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ingevorderd."
2. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat verzoekster van cassatie, hierna: [verzoekster], over de periode van 1 juni 1991 tot 31 maart 1993 f 47.O86,17 teveel aan RWW-uitkering heeft ontvangen van verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, en dat de Gemeente nog een bedrag van f 45.535,19 terug te vorde-ren heeft.
3. Bij beschikking van 9 juni 1998 heeft de Kantonrechter te Haarlem op het daartoe strekkende, op 1 augustus 1995 binneng-ekomen verzoekschrift van de Gemeente bepaald dat [verzoekster] aan de Gemeente (terstond) dient te voldoen een totaalsom van f 45.535,19. Daarbij overwoog de Kantonrechter dat bij gebreke aan gegevens geen betaling in termijnen kon worden opgelegd.
3. Op het hoger beroep van [verzoekster] heeft de Rechtbank te Haarlem bij beschikking 26 januari 1999 de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd. Met betrekking tot grief III, die ertoe strekte dat aan [verzoekster], als volstrekt onvermogende, in ieder geval de gelegenheid moet worden gegeven de schuld in termijnen af te lossen, overwoog de Rechtbank (r.o. 6.6):
"Op grond van artikel 64 ABW (oud) kan de rechter een afbetalingsregeling vaststellen. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak echter geen aanleiding om dat te doen. Appellante ontvangt een bijstandsuitkering en heeft geen schulden. Op grond van de wettelijke regels dient haar maandelijks tenminste 90% van de bijstandsnorm gelaten te worden. De rechtbank ziet geen aanleiding een ander be-drag vast te stellen en heeft geen reden te veronderstel-len dat de gemeente een hoger bedrag zal (trachten te) incasseren."
4. [Verzoekster] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig) in cassatie gekomen met een middel dat twee klachten bevat. De Gemeente heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
5. In cassatie is niet bestreden het oordeel van de Rechtbank dat op de vraag of terugbetaling door [verzoekster] van de verleen-de bijstand in een bedrag ineens dan wel in termijnen moet geschieden art. 64 ABW (oud) van toepassing is. Derhalve dient van de juistheid van dit oordeel (dat overigens ook juist ís, vgl. HR 12 juni 1998, NJ 1998, 643) in cassatie te worden uitgegaan.
6. Klacht 1 van het middel houdt in dat de Rechtbank in de zojuist aangehaalde r.o. 6.6 van haar beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 64 ABW (oud). Volgens de klacht had de Rechtbank in beginsel een betalingsregeling moeten formuleren, en had zij daarvan slechts mogen afzien, indien zij in de omstandigheden van het geval aanleiding had gezien om de Gemeente de bevoegdheid te verlenen het gehele verschuldigde bedrag terstond in te vorde-ren.
7. De klacht faalt. Het woordje "kan" in de tweede zin van art. 64 lid 1 ABW (oud) duidt erop dat het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Het is dus aan het inzicht van de rechter overgelaten of en, zo ja, op welke wijze hij een betalingsregeling vaststelt. Vgl. ABW/Verhaal, losbl., Art. 64 (oud), aant. 1, en R.C. Gisolf, Het verhaals-recht van de Algemene Bijstandswet, 2e dr. 1984, blz. 97. De tekst van het artikel geeft, anders dan het middel betoogt, geen steun aan de opvatting dat de rechter een betalingsrege-ling móet vaststellen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De wet stelt immers geen bijzondere vereisten aan de bevoegdheid van de rechter om een bedrag vast te stel-len dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ing-evorderd. Vgl. ook HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 572, r.o. 3.3, 2e alinea, waaruit spreekt dat de rechter vrij is in de keuze om óf een bedrag ineens óf een betalingsregeling vast te stellen, en niet dat vaststelling van een betalingsregeling hoofdregel is.
8. Klacht 2 van het middel neemt tot uitgangspunt dat de Rechtbank wèl de vrijheid had om vast te stellen dat de terug-betaling van de verleende bijstand in een bedrag ineens moet geschieden, maar betoogt dat (ook dan) haar oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat haar oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is.
9. De rechtklacht berust op de stelling dat in de door de Rechtbank gekozen motivering (te weten: op grond van de wette-lijke regels dient [verzoekster] maandelijks tenminste 90% van de bijstandsnorm te worden gelaten) art. 64 ABW (oud) "geheel, althans in ontoelaatbaar verregaande mate buitenspel wordt gezet", omdat dan vrijwel nooit een betalingsregeling behoeft te worden vastgesteld.
10. De klacht faalt. Daargelaten of de motivering van de Rechtbank leidt tot het door het middel gevreesde gevolg, blijkt niet uit die motivering dat de Rechtbank is uitgegaan van een onjuiste voorstelling omtrent de omvang van haar (discretionaire) bevoegdheid, nu [verzoekster] tegen het verzoek van de Gemeente om te bepalen dat de gehele schuld terstond kan worden ingevorderd niet meer heeft ingebracht dan dat zij volstrekt onvermogend is (beroepschrift, blz. 4) en niet in staat is om meer dan een bedrag dan f 50,- per maand te beta-len (p-v zitting Rechtbank, blz. 1) en de Rechtbank deze omstandigheden in haar beoordeling heeft betrokken. Door zich te richten op de door partijen gestelde omstandigheden van het geval, heeft de Rechtbank geen onjuiste maatstaf gehanteerd (HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 572, r.o. 3.3). Op de gezichts-punten, welke de Rechtbank volgens het middel daarenboven nog in aanmerking had moeten nemen, is in feitelijke instantie geen beroep gedaan. Voor het overige kan het oordeel van de Rechtbank, verweven als het is met waardering van omstandighe-den van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht.
11. Ook de motiveringsklacht is naar mijn oordeel ongegrond. De Rechtbank heeft de door [verzoekster] aangevoerde omstandigheden in zijn oordeel betrokken en op begrijpelijke wijze aangegeven dat en waarom (er is geen reden om te veronderstellen dat de Gemeente maandelijks een hoger bedrag zal incasseren dan de wettelijke beslagregels toestaan) die omstandigheden haar geen aanleiding geven om een afbetalingsregeling vast te stellen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,