Rolnr. C00/220HR
Mr Strikwerda
Zt. 29 sept. 2000
conclusie op verstek inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Eiser tot cassatie heeft bij exploit van 6 juli 2000 verweerster in cassatie aangezegd dat zij beroep in cassatie instelt tegen het tussen partijen op 6 april 2000 gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam en verweerster in cassatie gedagvaard om op vrijdag 14 juli 2000 te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad. Aangezien tussen 6 juli 2000 en 14 juli 2000 zich niet tenminste acht dagen bevinden, is de termijn van dagvaarding als bedoeld in art. 407 lid 1 in verbinding met art. 7 lid 1 en art. 8 Rv niet in acht genomen. De zaak werd niet ter rolle ingeschreven.
2. Op 12 juli 2000 heeft eiser tot cassatie een herstelexploit uitgebracht, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 21 juli 2000 werd aangezegd. Op die dag had de Hoge Raad echter geen zitting, zodat de zaak niet ter rolle kon worden ingeschreven.
3. Op 19 juli 2000 heeft eiser tot cassatie opnieuw een herstelexploit uitgebracht, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 11 augustus 2000 werd aangezegd. Ditmaal werd de zaak wel ter rolle ingeschreven.
4. Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 11 augustus 2000 is verweerster in cassatie niet verschenen. Tegen haar heeft eiser tot cassatie verstek gevraagd.
5. Het met nietigheid bedreigde gebrek (art. 91 lid 1 Rv) dat aan de cassatiedagvaarding kleefde is niet hersteld door het op 12 juli 2000 uitgebrachte eerste herstelexploit. Hoewel het werd uitgebracht vóór de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag, had het geen gevolg, omdat de Hoge Raad op de bij dat exploit aangezegde nieuwe rechtsdag geen zitting had en de zaak dus niet ter rolle is ingeschreven (HR 17 september 1993, NJ 1993, 741 en HR 5 december 1997, NJ 1998, 193).
6. Het gebrek aan de dagvaarding is wel hersteld door het op 19 juli 2000 uitgebrachte tweede herstelexploit. Het tweede herstelexploit is weliswaar uitgebracht na de oorspronkelijk aangezegde rechtsdag, maar met bekwame spoed, dat wil zeggen binnen veertien dagen na die dag, en met inachtneming van de dagvaardingstermijn (HR 17 december 1982, NJ 1984, 59 nt. WHH en HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 241 nt. WHH). Dat het tweede herstelexploit is uitgebracht nadat de cassatietermijn was verstreken, is niet van belang (HR 21 oktober 1988, NJ 1989, 241 nt. WHH, HR 9 december 1988, NJ 1989, 242 en - implicite - HR 5 december 1997, NJ 1998, 193). Het gevraagde verstek tegen verweerster in cassatie kan dus worden verleend.
De conclusie strekt tot verlening van het gevraagde verstek.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,