ECLI:NL:PHR:2000:ZD1682

ECLI:NL:PHR:2000:ZD1682, Parket bij de Hoge Raad, 11-01-2000, 112.256

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 11-01-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 112.256
Rechtsgebied Strafrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2000:ZD1682
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

-

Uitspraak

Nr. 112.256

Zitting 9 november 1999

mr Fokkens

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 21 december 1998 is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van verdachte wegens overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.

2. Tegen het arrest heeft de procureur-generaal op 23 december 1998 beroep in cassatie ingesteld. Namens verdachte heeft mr I. Vink, advocaat te Den haag, op 29 december 1998 incidenteel appèl aangetekend, maar dit appèl is op 20 augustus 19999 ingetrokken (art. 453 lid 1 Sv).

3. De cassatieschriftuur van de van de procureur-generaal bevat één middel en is blijkens het stempel van de griffier van het gerechtshof ingediend op 3 februari 1999. De artt. 433 (oud) jo 136 lid 1 jo 452 lid 2 Sv vereisen dat de schriftuur binnen dertig dagen nadat beroep in cassatie is ingesteld ter griffie wordt ontvangen, op straffe van niet-ontvankelijkheid.

Nu het uitgewerkte arrest van het hof pas vanaf 12 januari 1999 ter beschikking was, is de schriftuur desondanks op tijd ingediend. Vgl. HR NJ 1993, 718.

4. Door mr C.J. van Woerden, advocaat te Den Haag, is er naar aanleiding van de schriftuur een verweerschrift ingediend, welk mondeling is toegelicht bij de behandeling van de zaak door Hoge raad.

5. Het middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden en bovendien zodanig dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging.

6. Nadat de raadsman ter terechtzitting van het hof - in aanvulling op een brief met dezelfde strekking - de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had bepleit wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de advocaat-generaal het navolgende aangevoerd:

“Na het instellen van het hoger beroep op 3 juli 1995 is de zaak op de zitting van 19 augustus 1996 aangebracht. Het is niet aan het openbaar ministerie te wijten dat de tolk dan wel de getuige Hermenet niet op de zittingen van 19 augustus 1996, 6 januari 1997, 4 juni 1997 en 9 maart 1998 zijn verschenen. Het openbaar ministerie valt geen inactiviteit te verwijten. De getuige en de tolk zijn voor deze zittingen steeds correct opgeroepen. Voorts bestond er geen mogelijkheid om een bevel medebrenging tegen de getuige te gelasten.

Deze omstandigheden maken de redelijke termijn acceptabel. In casu is geen sprake van schending van de redelijke termijn.”

7. ‘ s Hofs overweging in het arrest naar aanleiding van het door de raadsman gevoerde verweer luidt: “Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep d.d. 3 juli 1995 en de behandeling van het hoger beroep op 21 december 1998 zodanig, dat niet gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof wijst hierbij op dat het niet aan verdachte heeft gelegen dat de zaak op de zittingen in hoger beroep van 19 augustus 1996, 6 januari 1997 en maart 1998 niet is kunnen worden behandeld.

De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat – ook na afweging van het belang dan de gemeenschap behoudt bij normhandhaving door berechting tegen het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging – niet kan worden volstaan met de oplegging van een lagere gevangenisstraf, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor bestraffing is voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie – met vernietiging van het vonnis in eerste aanleg – alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte.”

8. De primaire klacht betreft het oordeel dat artikel 6 EVRM is geschonden. Die klacht kan mijns inziens niet slagen. Weliswaar heeft de procureur-generaal gelijk als hij stelt dat het niet aan het tekortschieten van het openbaar ministerie verweten kan worden dat de zaak telkens moest worden aangehouden omdat of de tolk en/of de getuige niet was/waren verschenen nu zij op de juiste wijze waren opgeroepen (terzijde merk ik op dat uit het dossier niet blijkt of men, gelet op de problemen die gebleken waren bij het oproepen van tolk en getuige, voor de zitting met deze personen in overleg is getreden om een geschikte datum te vinden en het risico van een nieuwe aanhouding te verkleinen), maar daarbij ziet de procureur-generaal mijns inziens over het hoofd dat het tijdsverloop mede een gevolg is van de lange periodes die tussen de verschillende zittingsdagen zijn verstreken en op dat punt had het openbaar ministerie wel meer actie kunnen ondernemen. Het is niet begrijpelijk waarom er na de eerste behandeling op 19 augustus 1996 en de tweede terechtzitting in hoger beroep op 6 januari 1997 achtereenvolgens ongeveer 6 maanden (zitting van 6 juni 1997), ongeveer 9 maanden (zitting 9 maart 1998) en nog eens ruim 9 maanden moesten verlopen voordat het onderzoek ter terechtzitting kon worden hervat, nu er geen enkel onderzoek in die periodes behoefde plaats te vinden. Het oordeel dat het tijdsverloop gemoeid met de behandeling in hoger beroep een onredelijke vertraging oplevert geeft dan ook geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

9. Daarmee kom ik bij de vraag of de klacht over de afweging van het hof dat het belang van normhandhaving door berechting in casu niet prevaleert boven het belang van verdachte bij het verval van strafvervolging en dat derhalve het openbaar ministerie het recht op strafvervolging behoort te verliezen, gegrond is.

10. De Hoge Raad stelt zich op het standpunt dat in geval van overschrijding van de redelijke termijn vermeld in lid 1 van artikel 6 EVRM, strafvermindering de eerst aangewezen sanctie is (strafvermindering in o.a. HR NJ 1999, 91; 1998, 304; NJ 1998, 814; DD 93.069; 92.273; 92.081). het belang van de samenleving bij vervolging staat dus voorop. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging volgen (HR NJ 1998, 811; nt. Kn onder 1998, 812; NJ 1994, 196).

11. De vertraging die de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft ondervonden is in belangrijke mate te wijten aan omstandigheden waarvan noch de verdachte noch het openbaar ministerie een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op de termijnen die voor appointering en dagvaarding gebruikelijk zijn kan geschat worden dat de behandeling van de zaak een onnodige vertraging van ongeveer een jaar heeft opgelopen. De politierechter heeft in zijn vonnis overwogen dat het hier een geval van ernstige belasting- en steunfraude betreft (het bedrag waarvoor de uitkerende instantie is benadeeld is volgens de bewijsmiddelen bijna ƒ 100.000) en hij heeft de verdachte veroordeeld tot 240 uren onbetaalde arbeid in plaats van 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Mede gelet op de omstandigheid dat de zaak tot aan de eerste terechtzitting in hoger beroep voortvarend is behandeld, is zonder nadere motivering - die in de bestreden uitspraak niet wordt gegeven - naar mijn mening niet begrijpelijk waarom strafvermindering niet de passende sanctie zou zijn indien een veroordeling voor de tenlastegelegde feiten zou volgen. Ik acht het middel in zoverre dan ook gegrond.

12. Het standpunt dat in het verweerschrift wordt ingenomen, houdt om bovengenoemde redenen geen stand.

Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd met verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2000, 47 NJ 2000, 227
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?