ECLI:NL:PHR:2001:AB1075

ECLI:NL:PHR:2001:AB1075, Parket bij de Hoge Raad, 13-04-2001, R01/013HR

Instantie Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak 13-04-2001
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer R01/013HR
Rechtsgebied Civiel recht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2001:AB1075
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

-

Uitspraak

R 01/013 HR

Mr. F.F. Langemeijer

MB (Wet BOPZ)

Parket, 9 februari 2001

Conclusie inzake het verzoek van:

[Verzoekster 1] en [Verzoeker 2]

Edelhoogachtbaar College,

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Uit het verzoekschrift en de bijlagen blijkt dat ten aanzien van de eerste verzoekster ([verzoekster 1], hierna ook aangeduid als betrokkene) de volgende rechterlijke beslissingen zijn genomen:

a. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 8 april 1999, houdende machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene;

b. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 3 mei 1999, houdende voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis;

c. een beschikking van de rechtbank te Utrecht d.d. 12 oktober 2000, houdende voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

1.2. In een verzoekschrift, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 23 januari 2001 en aangeduid als "cassatieverzoek inzake toepassingen Wet BOPZ op [verzoekster 1] te [woonplaats] in de periodes april/mei/juni 1999 en oktober 2000", zijn aan Uw Raad de volgende verzoeken gedaan:

(i) vast te stellen dat de toepassingen van de Wet Bijzondere Opnemingen Psychiatrische Ziekenhuizen op [verzoekster 1] niet door de beugel kunnen (zie blz. 1);

(ii) genoegdoening teneinde de geleden schade m.b.t. het aangedaan onrecht aan [verzoekster 1] te kunnen compenseren (zie blz. 10, alwaar ook wordt verwezen naar art. 35 Wet Bopz).

2. Bespreking van het verzoek

2.1. Voor zover het verzoek bedoeld is als beroep in cassatie tegen de hierboven genoemde rechterlijke beschikkingen, zijn verzoekers in dit beroep niet-ontvankelijk. Art. 426a, lid 1, Rv schrijft voor, dat het verzoekschrift, houdende beroep in cassatie, wordt ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Aan dit vereiste is niet voldaan. Ten overvloede zij vermeld dat het cassatieberoep ook om een andere reden niet-ontvankelijk is. Tegen de (onder a genoemde) beschikking op de vordering tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling staat geen gewoon rechtsmiddel open (art. 29 lid 5 Wet Bopz). Tegen de (onder b en c genoemde) beschikkingen houdende voorlopige machtiging is weliswaar cassatieberoep mogelijk, maar binnen de termijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking (zie art. 426 lid 1 Rv). Uit de hierboven weergegeven feiten volgt, dat het cassatieberoep te laat is ingesteld.

2.2. Voor zover het verzoekschrift bedoeld is als een zelfstandig verzoek om schadevergoeding, in de zin van art. 35 Wet Bopz, is het gericht aan het verkeerde adres. Art. 78 Wet Bopz verklaart de Twaalfde titel van Boek 1 Rv (de bepalingen van de verzoekschriftprocedure), behoudens art. 429d, derde lid, Rv, van toepassing op verzoekschriften als bedoeld in art. 35 Wet Bopz. Dit betekent, dat het verzoek weliswaar zonder tussenkomst van een procureur kan worden ingediend, maar gericht dient te worden tot de rechtbank als absoluut bevoegde rechter(1). Op grond van art. 429e Rv, in verbinding met art. 78 Wet Bopz, zal Uw Raad zich onbevoegd kunnen verklaren zonder voorafgaande oproeping van verzoekers. Art. 429e Rv schrijft geen verwijzing naar de wel bevoegde rechter voor, maar de overeenkomstige toepassing van art. 157a (eerste lid) Rv is in de rechtspraak reeds aanvaard(2). Gelet op de woonplaats van verzoekers (art. 429c lid 1 Rv), is de rechtbank te Utrecht de relatief bevoegde rechter. Of het verzoek tijdig is ingediend, d.w.z. binnen de in art. 35 lid 2 Wet Bopz aangegeven termijn, kan worden beoordeeld door de rechter naar wie de zaak wordt verwezen.

3. Conclusie

De conclusie strekt:

a. tot niet-ontvankelijk verklaring van verzoekers in hun cassatieberoep;

b. tot onbevoegdverklaring van de Hoge Raad om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding, als bedoeld in art. 35 Wet Bopz, en tot verwijzing van het verzoekschrift naar de rechtbank te Utrecht.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 De bevoegde rechter in de Wet Bopz is de rechtbank (art. 1 lid 4 Wet Bopz).

2 HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 357 en 358 m.nt. JdB. Burgerlijke Rechtsvordering, Doek en Wesseling-van Gent, art. 429e, aant. 4.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2001, 255 NJ 2001, 334 RvdW 2001, 80 JWB 2001/124 BJ 2001/20 met annotatie van Redactie
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?