Mr. Hartkamp
nr. C00/070HR
zitting 28 september 2001
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
1) [Verweerder 1]
2) [Verweerster 2]
Feiten en procesverloop
1) De verweerders in cassatie zijn de enige kinderen uit het huwelijk tussen [...] (geb. in 1934), verder te noemen [erflater], en zijn echtgenote [betrokkene B], die in 1990 is overleden. Eiseres tot cassatie [eiseres] (geb. in 1940) is op 7 okt. 1994 met [erflater] gaan samenwonen. Bij testament van 26 april 1995 heeft [erflater] het vruchtgebruik van zijn nalatenschap aan [eiseres] gelegateerd "zulks ter voldoening aan een op mij rustende verplichting(1) van moraal en fatsoen om in haar verzorging te voorzien na mijn overlijden". Voorts is [erflater] per 28 aug. 1995 een levensverzekering ten gunste van [eiseres] aangegaan, waarvoor een koopsom van f 151.250,- is betaald en op grond waarvan [eiseres] tot haar vijfenzestigste levensjaar een maandelijkse uitkering ontvangt van f 1.641,75. De waarde van deze lijfrente bedraagt f 159.570,-. [Erflater] is op 7 febr. 1996 overleden.
In cassatie gaat het nog om één geschilpunt tussen partijen, en wel of [erflater] voldeed aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen toen hij de lijfrente afsloot en het vruchtgebruik legateerde. De kwestie is van belang omdat het wettelijk erfdeel van de kinderen [...] is benadeeld.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond en het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch hebben deze vraag ontkennend beantwoord.
2) [Eiseres] heeft tegen 's hofs arrest (van 4 nov. 1999) tijdig beroep in cassatie ingesteld en daartoe één middel van cassatie voorgesteld, dat zij schriftelijk heeft doen toelichten. Tegen de kinderen [...] is verstek verleend.
Bespreking van het cassatiemiddel
3) Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Het hof is niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het heeft immers het criterium van art. 6:3 lid 2 onder b tot uitgangspunt genomen. De rechtbank (r.o. 8.1.1 van het tussenvonnis van 20 nov. 1997) heeft daarenboven uitdrukkelijk de uitwerking vermeld, die de de Hoge Raad in zijn arresten van 9 nov. 1990, NJ 1992, 212; 15 sept. 1995, NJ 1996, 616 en 17 okt. 1997, NJ 1998, 692, telkens met noot WMK, heeft gegeven: (het wettelijke criterium) brengt mee dat de vraag of er sprake is van een natuurlijke verbintenis naar een objectieve maatstaf moet worden beoordeeld en dat aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet geen beslissende betekenis toekomt. Het hof heeft die uitwerking niet vermeld, maar niets wijst erop dat het college haar heeft miskend. Het middel klaagt daarover dan ook niet.
Voorts valt uit het arrest op te maken dat het hof niet heeft miskend dat er onder omstandigheden een natuurlijke verbintenis kan bestaan om na dode in de verzorging van een ongehuwde levensgezel te voorzien. Zie in deze zin o.m. Wessels, Natuurlijke verbintenissen (1988), p. 327; Moltmaker, Privaatrechtelijke en fiscale aspecten van samenlevingsvormen buiten huwelijk, Preadv. KNB 1977, p. 111; Klaassen-Eggens-Luyten (tiende druk, 1989), p. 100. Ook de Hoge Raad heeft in deze zin beslist; zie bijv. HR 27 febr. 1980, NJ 1980, 352 m.nt. GJS.
Tegen deze achtergrond heeft het hof op grond van een afweging van de omstandigheden van het onderhavige geval geoordeeld dat een natuurlijke verbintenis niet kan worden aangenomen. Men zie r.o. 4.2.1. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het is niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering.
De klachten van het middel stuiten op het voorgaande af.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Door het Hof gelezen als "dringende verplichting".