Mr Jörg
Nr. 01821/99
Zitting 29 mei 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte=verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 10 maart 1999 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 01820/99 waarin ik heden eveneens concludeer.
2. Namens verzoeker heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep nietig is, aangezien in strijd met art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv geen raadsman aan verzoeker is toegevoegd.
4. In de zaak met parketnummer 10/035093-95 heeft de rechter-commissaris op 16 februari 1995 een bevel tot bewaring van verzoeker verleend, waarna de rechtbank op 22 februari 1995 de gevangenhouding van verzoeker heeft bevolen. De politierechter heeft deze zaak alsmede de zaken met de parketnummers 10/049169-94 en 10/020066-95 ter terechtzitting gevoegd met de zaak met het parketnummer 10/046005-95. Tegen het op 3 mei 1995 in de zaak met parketnummer 10/046005-95 gewezen vonnis is hoger beroep ingesteld op 16 juli 1998.
5. Het hof heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep, aangezien de inleidende dagvaardingen in de vier hiervoor met hun afzonderlijke parketnummer aangeduide zaken aan verzoeker in persoon zijn uitgereikt en verzoeker derhalve binnen veertien dagen hoger beroep had dienen in te stellen tegen het op 3 mei 1995 gewezen vonnis.
6. Gelet op het hiervoor onder 2 overwogene had de voorzitter van het gerechtshof ingevolge art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv ambtshalve een tot de raad voor rechtsbijstandvoorziening gerichte last tot toevoeging dienen te geven. Niet blijkt dat dit is geschied, terwijl evenmin blijkt dat zich in hoger beroep intussen een raadsman had gesteld dan wel dat verzoeker uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij geen rechtsbijstand wenst. Het in het belang van de verdachte gegeven voorschrift als vervat in art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv is van een zo grote betekenis dat, al wordt zulks niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming daarvan geacht moet worden aan een geldige behandeling van het onderzoek ter terechtzitting in de weg te staan (vgl. laatstelijk HR 4 april 2000, griffienummer 112.020).
7. Dat het hof verzoeker niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat hij dit te laat heeft ingesteld doet aan het vorenoverwogene niet af. De steller van het middel loopt weliswaar op de gang van zaken vooruit met zijn betoog dat de toegevoegd raadsman gewezen zou kunnen hebben op de omstandigheid dat in eerste aanleg art. 51 Sv niet is nageleefd, aangezien dit aspect pas aan de orde zou kunnen komen indien verzoeker ontvankelijk is in zijn hoger beroep, maar dat laat onverlet dat de klacht over schending van art. 41, eerste lid aanhef en onder b, Sv terecht is voorgesteld.
8. Dit behoeft mijns inziens op grond van het navolgende evenwel niet tot cassatie te leiden. Mr M. de Boorder, advocaat te Rotterdam, heeft bij brief van 14 juli 1998 de strafgriffie van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam verzocht om namens verzoeker ex art. 450 sub b Rv (ik neem aan dat is bedoeld Sv, NJ) hoger beroep in te stellen in onder meer de onderhavige zaak. Ingevolge art. 449, eerste lid in verbinding met art. 450, aanhef en onder a, Sv kan namens de verdachte door een advocaat slechts een rechtsmiddel worden ingesteld indien die advocaat ter griffie van het gerecht door of bij welke de beslissing is gegeven verklaart daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Van deze verklaring wordt ingevolge art. 451, eerste lid, Sv door de griffier een akte opgemaakt die deze samen met degene die de verklaring heeft afgelegd ondertekent. Indien een advocaat per gewone brief hoger beroep voor zijn cliënt instelt, leidt dit tot de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in dat hoger beroep (vgl. HR 30 januari 2001, griffienummer 00182/00 en HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 93). Dat de raadsman in zijn brief heeft aangegeven dat verzoeker wenst dat ex art. 450, aanhef en onder b, Sv beroep wordt ingesteld doet daar niet aan af.
9. Zelfs indien na vernietiging en verwijzing een raadsman steekhoudende gronden zou kunnen aanvoeren ter rechtvaardiging van een termijnoverschrijding van meer dan drie jaren bij het instellen van het hoger beroep, zal verzoeker desondanks niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn hoger beroep omdat dit rechtsmiddel op foutieve wijze is aangewend. Geen raadsman zal daartegen met succes iets kunnen aanvoeren. Om redenen van proceseconomie zou ik Uw Raad derhalve willen adviseren de bestreden uitspraak in stand te laten.
10. Ambtshalve gronden waarop de bestreden uitspraak zou behoren te worden vernietigd heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG