Mr Jörg
Nr. 03405/00
Zitting 23 oktober 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 11 september 2000 ter zake van "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vordering van f 1720 van de benadeelde partij toegewezen en daarnaast aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van f 860 ten behoeve van het slachtoffer, subsidiair 17 dagen hechtenis, een en ander in de gebruikelijke alternatieve modus.
2. Namens verzoeker heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt erover dat het arrest onvoldoende met redenen is omkleed omdat het hof niet is ingegaan op het namens verzoeker gedane beroep op de strafuitsluitingsgronden noodweer, subsidiair noodweerexces.
4. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsman van verzoeker aldaar alleen ter zake van het subsidiair tenlastegelegde een beroep heeft gedaan op de strafuitsluitingsgrond noodweer, subsidiair noodweerexces. Nu het hof het primair tenlastegelegde heeft bewezenverklaard, kon het derhalve zonder schending van het in art. 358, derde lid, Sv neergelegde motiveringsvoorschrift aan dit verweer voorbijgaan. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.
5. Het tweede middel betoogt dat het in art. 51b Sv bedoelde voegingsformulier is opgesteld en ingediend door een ander dan de benadeelde partij, terwijl niet is gebleken dat aan die ander daartoe een bijzondere schriftelijke volmacht is verleend, zodat het hof de benadeelde partij op die grond niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar vordering.
6. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:
"[Betrokkene A] () heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding voor deze strafzaak en heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van - ten gevolge van het tenlastegelegde - geleden schade tot een bedrag van f 1.720,00. De politierechter heeft deze vordering geheel toegewezen."
7. Op 1 november 1999 is bij de officier van justitie in het arrondissement Dordrecht een "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" binnengekomen. Dit formulier vermeldt als benadeelde [betrokkene A] en is ondertekend door zijn moeder [betrokkene B]. De in het formulier onder het kopje "Machtiging" vrijgelaten regels voor de naam en handtekening van de benadeelde partij zijn niet ingevuld. In een bij het formulier gevoegde notitie van [betrokkene B] is vermeld:
"Aangezien mijn zoon, [betrokkene A], met een stage voor meerdere maanden op een coaster in het buitenland is, heb ik, zijn moeder, dit formulier ingevuld. Ik verwacht [betrokkene A] medio febr. 2000 weer thuis te zien voor ± 2 weken, echt zeker is dit niet."
8. Ingevolge artikel 51e Sv kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Deze eis van bijzondere schriftelijke volmacht was voor de inwerkingtreding van art. 51e Sv (op 1 april 1995) neergelegd in art. 333, eerste lid (oud), Sv. Dat artikel stond centraal in de zaak die heeft geleid tot HR 18 oktober 1994, DD 95. 055. De benadeelde partij in die zaak (destijds beledigde partij geheten), had degene die ter terechtzitting in eerste aanleg had verklaard de benadeelde partij te vertegenwoordigen niet schriftelijk gevolmachtigd. Uw Raad oordeelde dat de rechtbank bij gebreke van een volmacht niet had mogen aannemen dat de beledigde partij overeenkomstig het wettelijk voorschrift van art. 333 Sv vertegenwoordigd was.
9. Hieruit volgt dat, nu ook in dit geval een bijzondere schriftelijke volmacht ontbreekt, het hof niet - zoals het gelet op de onder 6 geciteerde passage uit zijn arrest kennelijk heeft gedaan - had mogen aannemen dat [betrokkene B] haar zoon [betrokkene A] vertegenwoordigde. Aangenomen moet worden dat de in art. 51e Sv neergelegde eis van een bijzondere schriftelijke volmacht ook geldt indien, anders dan in de tot 1 april 1995 geldende wettelijke regeling mogelijk was, de voeging geschiedt door invulling van het in art. 51b lid 1 Sv bedoelde formulier. Een beperking van die eis tot de vertegenwoordiging ter terechtzitting valt in art. 51e Sv immers niet te lezen. Voorts is de kans op ongewenste gevolgen(1) van een ondeugdelijke machtiging in geval van voeging door middel van het in art. 51b, eerste lid, Sv bedoelde formulier groter dan onder de tot 1 april 1995 geldende regeling, die voorschreef dat een benadeelde of zijn vertegenwoordiger zich alleen ter terechtzitting kon voegen.
10. Uit het bovenstaande volgt dat het in het tweede middel gevoerde betoog dat de benadeelde partij niet volgens de wettelijke voorschriften was vertegenwoordigd, juist is.
Tot cassatie leidt het middel echter niet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en uit het arrest van het hof blijkt dat verzoeker de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist.
11. Hierin onderscheidt de onderhavige zaak zich van HR DD 95.055. Daar werd de vordering wèl betwist en was enkel geen bezwaar gemaakt tegen de vertegenwoordiging door een niet schriftelijk gemachtigde. Dit aspect bracht Uw Raad er kennelijk toe de vingerwijzing te geven dat het hof, waarnaar de zaak verwezen werd, niet aanstonds de niet-ontvankelijkheid van de beledigde partij zou uitspreken, maar aan haar de gelegenheid zou geven het gebrek te herstellen.
12. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan belang.
13. Het derde middel berust op de stelling dat het hof zijn uitspraak onvoldoende met redenen heeft omkleed, nu het hof ten eerste bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet heeft bepaald dat verzoeker van zijn verplichting tot betaling aan de Staat zal zijn gekweten indien en voorzover de mededader aan de benadeelde partij betaalt, indien de mededader meer dan f. 860,- betaalt.
14. Deze klacht faalt. Het hof heeft met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding immers bepaald
"dat verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag."
15. De volgende, spiegelbeeldige, klacht houdt in dat het hof ten onrechte niet bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald dat verzoeker eveneens zal worden bevrijd voor zover de mededader méér dan f. 860 in het kader van de schadevergoedingsmaatregel betaalt. Ten aanzien van de verplichting tot betaling aan de Staat heeft het hof verstaan dat
"gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de verdachte opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van f 860,00 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij met een zelfde bedrag doet verminderen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag van f 860,00 aan de benadeelde partij door de verdachte de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat tot een zelfde bedrag doet verminderen."
16. De gedachte dat de Staat als schadevergoedingsmaatregel een hoger bedrag zou innen dan waartoe zij door de rechter gerechtigd is, komt bijzonder gezocht voor en kan naar het rijk der fabelen worden verwezen. Overigens heeft het hof onmiskenbaar, door te spreken over het bevrijd zijn "tot de hoogte van het (door de mededader, NJ) betaalde bedrag" over de verplichting van verzoeker geen misverstand laten bestaan. Mijns inziens staat hier wat er staat. Ook deze klacht faalt.
17. Het middel faalt en maakt naar mijn mening aanspraak op hetzelfde lot als het eerste middel.
18. Gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Mijn toenmalige ambtgenoot Van Dorst noemde in punt 8 van zijn conclusie voor HR DD 95.055 de mogelijkheden dat iemand zich in strijd met de werkelijkheid opwerpt als vertegenwoordiger van de beledigde partij of dat problemen ontstaan tussen de veroordeelde en de beledigde partij over de gebondenheid van de eerste jegens de laatste.