Nr. 01593/01
Mr Fokkens
Zitting: 29 januari 2002
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van hem bij inleidende dagvaarding onder 9 tenlastegelegde feit en ter zake van - kort gezegd - 1. het leidinggeven aan een criminele organisatie, 2. en 3. de uitvoer van amfetamine naar Engeland, 4. verboden wapen- en munitiebezit, 5. de uitvoer van hash naar Engeland, 6. het voorhanden hebben van BMK en 7. het medeplegen van moord veroordeeld tot 18 jaren gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.(1)
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. Het beroep richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraak.
3. Namens verdachte heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof het verweer, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, aangezien ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan of voorgehouden aan getuigen c.q. medeverdachten, op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
5. Voor de samenvatting van het verweer en de algemene uitgangspunten die het Hof naar aanleiding van dit verweer heeft geformuleerd, verwijs ik naar de weergave daarvan in de toelichting op het middel onder punt 1. Naast deze algemene overwegingen is het Hof per getuige c.q. medeverdachte ingegaan op de vraag of aannemelijk is geworden dat de door de verdediging gestelde mondelinge toezeggingen zijn gedaan en zo ja, of die toezeggingen tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dienen te leiden.
6. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat gelet op de Modelbrief deals met criminelen uit 1983, de op 1 april 1997 inwerkinggetreden Richtlijn afspraken met criminelen (Stcrt. 1997, 61) en het algemeen spraakgebruik slechts sprake zal kunnen zijn van een deal of afspraak, indien de tegenprestatie van de kant van justitie schriftelijk is vastgelegd en een zodanige, in meer of mindere mate scherp omschreven en harde toezegging inhoudt dat de betrokkene, met wie de overeenkomst wordt gesloten, daaraan concrete verwachtingen kan ontlenen. Dat oordeel getuigt volgens het middel om tweeërlei redenen van een onjuiste rechtsopvatting. In de eerste plaats zou het Hof hebben miskend dat een overeenkomst ook mondeling rechtsgeldig gesloten kan worden en daarnaast dienen uit een oogpunt van rechtszekerheid alle toezeggingen als relevante tegenprestatie te worden aangemerkt en is er geen plaats voor de door het Hof aangebrachte beperking.
7. Zowel ingevolge voornoemde modelbrief, als de op 1 april 1997 in werking getreden Richtlijn afspraken met criminelen alsook wetsvoorstel 26 294 inzake toezegging aan getuigen in strafzaken, dient een afspraak met een criminele getuige te worden vastgelegd in de vorm van een schriftelijke overeenkomst. In afwachting van de inwerkingtreding van voornoemd wetsvoorstel is per 1 augustus 2001, dus nadat het Hof op 9 februari 2001 arrest heeft gewezen, van kracht geworden de Tijdelijke aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Stcrt. 2001, 138), waarin eveneens de eis wordt gesteld dat een afspraak tussen Openbaar Ministerie en getuige schriftelijk wordt vastgelegd. Deze eis wordt mede gesteld teneinde de toetsing door de rechter van de afspraak op eenvoudige wijze mogelijk te maken.
8. Tegen deze terminologische achtergrond bezien, kan niet gezegd worden dat het Hof door voorop te stellen dat van een afspraak - of populair gezegd van een deal - slechts sprake kan zijn indien de tegenprestatie van de kant van justitie schriftelijk is vastgelegd, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat neemt vanzelfsprekend niet weg dat het mogelijk is dat er mondelinge toezeggingen worden gedaan en dat in een dergelijk geval de vraag rijst of de concrete toezegging aan de getuige zodanig is dat aan het doen daarvan processuele gevolgen moeten worden verbonden. Dat heeft het Hof ook niet miskend, aangezien het heeft onderzocht of aannemelijk is geworden dat de beweerdelijk aan de getuigen c.q. medeverdachten gedane mondelinge toezeggingen daadwerkelijk zijn gedaan en zo ja, of die toezeggingen tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dienen te leiden.
9. De klacht dat het Hof blijk heeft gegeven van een te beperkte rechtsopvatting door van een afspraak of deal te spreken uitsluitend in die gevallen dat - kort gezegd - sprake is van een harde toezegging waaraan concrete verwachtingen kunnen worden ontleend, faalt eveneens. Niet elke toezegging die bij de betrokkene een verwachting heeft opgewekt, dient als rechtens relevant te worden aangemerkt. Alleen toezeggingen waardoor gerechtvaardigde verwachtingen zijn opgewekt dienen te worden gehonoreerd (vgl. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, 3e, p. 61 e.v. inzake het vertrouwensbeginsel). Daarvan zal slechts sprake kunnen zijn indien, gelijk het Hof heeft overwogen, de gedane toezeggingen dusdanig helder en hard zijn dat bij degene aan wie die toezegging is gedaan concrete verwachtingen zijn gewerkt. Voortbordurend op de civiele invalshoek van het middel wijs ik voorts nog op art. 6: 227 BW, dat inhoudt dat van een overeenkomst slechts sprake is indien de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar zijn.
10. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
11. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat in strijd met het recht door Engelse politiemensen is gerechercheerd op Nederlands grondgebied zonder dat daar een legale basis voor was.
12. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof als volgt samengevat:
"In de zaak Duifje (feit 3 primair, JWF) dient volgens de verdediging het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel moet bewijsuitsluiting volgen, omdat Engelse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied onderzoek hebben gedaan (...)."
13. Voor de wijze waarop het Hof dit verweer heeft verworpen, verwijs ik naar de weergave van 's Hofs overwegingen in de toelichting op het middel onder 1.
14. In de overweging van het Hof dat de Engelse ambtenaren van H.M. Customs and Excise reeds aan boord van de ferry in Hoek van Holland de observatie van het vrachtwagencombinatie van [betrokkene 2] hebben overgenomen van hun Nederlandse collega's, ligt besloten dat de Engelse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied opsporingshandelingen hebben verricht.
15. Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat is gesteld, noch op andere wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte daardoor in enig rechtens te respecteren belang is getroffen en voert daartoe - onder verwijzing naar HR 7 maart 2000, NJ 2000, 539 m.nt. Sch - aan dat voor de sanctionering van internationaal begane onrechtmatigheden in de opsporing in principe ook het beslissingschema van art. 359a Sv geldt.
16. Uit de in cassatie niet bestreden vaststellingen van het Hof, dat het optreden van de Engelse opsporingsambtenaren genoegzame grondslag vindt in de rechtshulpverzoeken en dat de Nederlandse soevereiniteit door het handelen van de Engelse opsporingsambtenaren niet in het geding is geweest, volgt dat het middel - dat berust op het uitgangspunt dat sprake is van internationaal begane onrechtmatigheden - feitelijke grondslag ontbeert.
17. Geheel ten overvloede wijs ik er nog op dat het middel voorts berust op een onjuiste lezing van HR NJ 2000, 539. In de zaak die tot voornoemde uitspraak heeft geleid, hadden Nederlandse opsporingsambtenaren een door Y bestuurde vrachtauto met hash in België en Frankrijk geobserveerd, waarna Y in Engeland werd aangehouden en de partij hash aldaar in beslag werd genomen. Het Hof had in die zaak vastgesteld dat de grensoverschrijdende observaties in België en Frankrijk onrechtmatig waren. X, die werd vervolgd ter zake van het medeplegen van de uitvoer van vorenbedoelde hash naar Engeland, beriep zich in zijn zaak op het onrechtmatige karakter van de observaties en bepleitte dat dit tot bewijsuitsluiting van een relaas van Engelse opsporingsambtenaren diende te leiden. Het Hof oordeelde evenwel dat daarvoor geen plaats was, nu niet viel in te zien in welk rechtens te respecteren belang X door de onrechtmatige grensoverschrijdende observaties was getroffen. De Hoge Raad onderschreef dit oordeel en overwoog naar aanleiding van de klacht dat het Hof had verzuimd aan te geven of en zo ja tot welk rechtsgevolg het vormverzuim in het voorbereidend onderzoek diende te leiden, dat het Hof - gelet op zijn vaststelling dat X door het verzuim niet in enig rechtens te respecteren belang was geschaad - ook geen toepassing behoefde te geven aan art. 359a, eerste lid, Sv.
18. In casu heeft het Hof blijkens het in verband met feit 3 primair als bewijsmiddel 6 gebezigde proces-verbaal vastgesteld dat [betrokkene 2] en niet de verdachte de vrachtwagencombinatie met amfetamine aan boord van de ferry "Stena Sea Trailer" heeft gereden en in Engeland met de vrachtwagen van boord is gegaan, alwaar [betrokkene 2] is aangehouden en de amfetamine in beslag is genomen. Ook indien er met de steller van het middel vanuit wordt gegaan dat de door de Engelse opsporingsambtenaren aan boord van de ferry overgenomen observaties onrechtmatig zouden zijn, volgt uit HR NJ 2000, 539 dat het middel niet kan slagen.
19. Het derde middel behelst de klacht dat de door het Hof in zaak 7, de moord op [betrokkene 5], als bewijsmiddel 5 tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [betrokkene 3] een ontoelaatbare mening, gissing of conclusie behelst.
20. Van de getuige [betrokkene 3] zijn een aantal verklaringen tot het bewijs van het onder 7 tenlastegelegde feit gebezigd. Voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, houden deze verklaringen in:
Bewijsmiddel 1:
"[Verdachte] kwam mijn op 22 mei 1994 om ongeveer 06:40 à 06:45 uur van huis halen. Wij zijn toen in ongeveer een kwartier gereden naar het Avando-terrein. (...) [Verdachte] had die morgen in de auto verteld dat [betrokkene 5] vermoord zou worden. (...) Ik zat in de nissenhut te wachten. Mij was gezegd dat als alles achter de rug zou zijn, [medeverdachte] mij naar huis zou brengen."
Bewijsmiddel 5:
"[Verdachte] zei tegen mij nadat ik het Avandoterrein geopend had ik in de nissenhut moest gaan zitten. Ik mocht pas tevoorschijn komen wanneer [medeverdachte] mij zou ophalen. Dit zou zijn als alles achter de rug was. Ik begreep hieruit dat na het vermoorden van [betrokkene 5] ik weer tevoorschijn mocht komen."
21. Anders dan in het middel wordt betoogd, behelst het door mij gecursiveerde gedeelte van bewijsmiddel 5 niets dat niet voor eigen waarneming of ondervinding vatbaar is. Het Hof heeft de verklaring van [betrokkene 3], dat hij begreep dat hij na het vermoorden van [betrokkene 5] tevoorschijn mocht komen, kennelijk aldus opgevat, hetgeen niet onbegrijpelijk is, dat [betrokkene 3] daarmee tot uitdrukking heeft gebracht welke gedachte bij hem opkwam naar aanleiding van de hem door de verdachte gedane mededelingen (vgl. HR 6 juli 1999, griffienummer 110.730, r.o. 5.4). Het middel faalt derhalve.
22. Het vierde middel klaagt erover dat het Hof zijn oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn ontoereikend heeft gemotiveerd. In de toelichting op het middel worden de overwegingen aangehaald die het Hof aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.(2)
23. De klacht dat de door het Hof gegeven motivering onbegrijpelijk is omdat deze erop neerkomt dat in hoger beroep 14 maanden nodig zijn geweest om 16 door de verdediging opgegeven getuigen door de Rechter-Commissaris te doen horen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof in het geheel niets heeft overwogen omtrent de periode die de Rechter-Commissaris nodig heeft gehad om de hem door het Hof bij tussenarrest van 8 december 1998 gegeven onderzoeksopdrachten uit te voeren.
24. De klacht, dat het overgrote deel van de vertragingen te wijten is aan het zittingsrooster van het Hof en niet aan de agenda van de verdediging en dat een beroep op het zittingsrooster ter rechtvaardiging van termijn van drie maanden en langer ongeoorloofd is in een zaak die zich al zo lang voortsleept, noopt mij tot de volgende opmerkingen.
25. Lezing van de processen-verbaal wijst uit dat het Hof in de periode van 29 september 1998 tot 26 januari 2001 20 zittingsdagen aan de zaak heeft gewijd en zes tussenarresten heeft gewezen(3). Ter terechtzitting van 23 juni 2000 is het onderzoek geschorst tot 18 september 2000 uitsluitend op grond van de omstandigheid dat het zittingsrooster een behandeling in dezelfde samenstelling op een eerdere datum niet toeliet. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2000 heeft de raadsman medegedeeld dat hij - in tegenstelling tot zijn eerdere mededeling daaromtrent - op de geplande terechtzitting van 17 november 2000 verhinderd was. Op laatstgenoemde datum heeft daarom een pro forma zitting plaatsgevonden, waarna de zaak is aangehouden tot 5 januari 2001 met als uitdrukkelijke reden dat het zittingsrooster van het Hof een behandeling van de zaak in dezelfde samenstelling op een eerdere datum niet mogelijk maakte. In alle andere gevallen is het onderzoek slechts beperkte tijd aangehouden of waren er (mede) andere redenen in het spel die het Hof ertoe noopte de zaak langere tijd - maar nooit langer dan drie maanden - aan te houden. Het zittingsrooster is derhalve uitsluitend in de periode van het zomerreces en in de periode waarin het Kerstreces viel, aangevoerd als enige reden voor aanhouding van de behandeling. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat het overgrote deel van de aanhoudingen te wijten is aan het zittingsrooster van het Hof, zodat het middel ook in zoverre bij gebrek aan feitelijke grondslag faalt.
26. Dat art. 6 EVRM in het geding zou zijn doordat de behandeling van de zaak éénmaal voor 85 dagen is aangehouden en éénmaal voor 49 dagen omdat het zittingsrooster een eerdere behandeling in dezelfde samenstelling niet mogelijk maakte, vermag ik niet in te zien. Ook niet in het licht van de omstandigheid dat met de behandeling van de zaak veel tijd gemoeid is geweest, hetgeen - naar het Hof heeft vastgesteld - voor het overgrote deel veroorzaakt is door de complexiteit en de ernst van de zaak, het nadere onderzoek dat nodig was in verband met de door de verdediging geuite ernstige beschuldigingen jegens het opsporingsapparaat en de vele verzoeken die de verdediging verder heeft gedaan (vgl. HR 25 maart 1997, NJ 1998, 38; HR 27 januari 1998, NJ 1998, 813 m.nt Kn en HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH). Ik wijs er daarbij nog op dat de verdediging zich gedurende de behandeling van de zaak ook nooit heeft verzet tegen de aanhoudingen en de termijnen waarvoor dit geschiedde.
27. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld
28. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
29. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat het beroep zal worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 01606/01 waarin ik heden eveneens concludeer.
2 In de op één na laatste regel van het citaat staat abusievelijk "gezoegd" in plaats van "gezegd".
3 Hier volgt een volledig overzicht van de zittingsdata in hoger beroep: 29-9-98, 24-11-98, tussenarrest: 8-12-99, 29-1-99, 9-4-99, 15-6-99, 13-8-99, 21-9-99, 19-11-99, tussenarrest: 3-12-00, 1-2-00, tussenarrest: 15-2-00, 28-4-00, 2-5-00, 9-5-00, 11-5-00, 23-6-00 (er is tevens een tussenarrest gewezen op die datum) , 18-9-00, 19-9-00, 22-9-00, 17-11-00 (er is tevens een tussenarrest gewezen op die datum), 5-1-00, tussenarrest: 22-1-00, 29-1-00 en arrest: 9-2-01.