Nr. 00529/01
Mr Jörg
Zitting: 26 februari 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 9 mei 2000 wegens - kort gezegd - het als kentekenhouder niet hebben gesloten en in stand gehouden hebben van een verzekering op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen-, veroordeeld tot een geldboete van fl. 660,- subsidiair 13 dagen hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve vraag ik evenwel de aandacht voor het volgende.
3. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2000 is op 12 april 2000 uitgereikt ter griffie van de rechtbank te Amsterdam, omdat van verzoeker "geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Bij het instellen van hoger beroep op 30 juni 1999 heeft verzoeker evenwel in de appèlakte het adres [a-straat 1] I, [...] [woonplaats 2], laten opnemen. Uit het aan de dagvaarding in hoger beroep gehechte GBA-overzicht van 6 april 2000 kan worden afgeleid dat verzoeker per 27 oktober 1997 niet meer in de GBA stond ingeschreven. (1)
4. Aangezien het in de appèlakte opgenomen adres is opgegeven nadat verzoeker was uitgeschreven uit de GBA, had het adres in de appèlakte in beginsel als zijn bekende woon- of verblijfplaats dienen te worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt niet van enige poging tot betekening op het in de appèlakte opgegeven adres. Alvorens akkoord te gaan met een betekening zonder bekende woon- of verblijfplaats had het hof dus dienen vast te stellen dat het in de appèlakte opgenomen adres niet als verzoekers bekende woon- of verblijfplaats had te gelden. Het in de uitspraak besloten liggende oordeel dat de appèldagvaarding rechtsgeldig is betekend is derhalve niet zonder meer begrijpelijk (vgl. HR 8 december 1998, 108.392 en HR 25 september 2001, JOL 2001, 523).
5. Gezien de nu volgende opmerkingen over de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg is hetgeen ten aanzien van de appèldagvaarding is opgemerkt ten overvloede. Bij de stukken bevindt zich een dagvaarding voor de terechtzitting van de kantonrechter te Hilversum op 26 juni 1998. Deze dagvaarding heeft men getracht uit te reiken op het adres dat verzoeker als zijn postadres bij een telefonisch contact bij de politie had opgegeven: [a-straat 1] I hoog, [...] [woonplaats 2]. De betreffende dagvaarding is bij aanbieding op 7 mei 1998 niet uitgereikt omdat, volgens mededeling van degene die zich aldaar bevond, verzoeker daar niet woonde of verbleef. De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking dezelfde dag geretourneerd aan het parket te Amsterdam. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt wat vervolgens met deze dagvaarding is geschied. Van een voortgang van het betekeningstraject blijkt niet.
6. Ten onrechte is het betekeningstraject op het adres [a-straat 1] I hoog, [...] [woonplaats 2] niet afgemaakt en is een tweede dagvaarding - tegen een andere zitting - uitgebracht. Deze tweede dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg van 30 oktober 1998 is op 23 september 1998 uitgereikt ter griffie van de rechtbank te Amsterdam, omdat verzoeker zonder bekende woon- of verblijfplaats was. Zonder dat blijkt van een rechtsgeldig betekeningstraject op het door verzoeker bij de politie opgegeven postadres, kan niet tot de conclusie worden gekomen dat verzoeker terecht zonder bekende woon- of verblijfplaats is aangemerkt (vgl. HR 3 juli 2001, NJ 2001, 532). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, is derhalve onbegrijpelijk. De Hoge Raad zal de inleidende dagvaarding alsnog nietig kunnen verklaren.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd, en tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Ten onrechte is een adresverificatie op de dag van de betekening aan de griffier achterwege gebleven, maar hier val ik niet over, aangezien uit de adresverificatie in cassatie blijkt dat verzoeker destijds inderdaad geen adresvermelding in de GBA had.