Mr Jörg
Nr. 03881/00
Zitting 26 maart 2002
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door de rechtbank te Breda bij vonnis van 29 mei 2000 bij verstek in hoger beroep wegens - kort samengevat - het als kentekenhouder niet verzekeren van een motorrijtuig, veroordeeld tot een geldboete van fl. 660,= subsidiair 13 dagen hechtenis.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.R. Angad Gaur, advocaat te Den Haag, bij een op 21 mei 2001 ingekomen schriftuur, één middel van cassatie voorgesteld. Een aanvulling op deze schriftuur is ontvangen per fax op 28 mei 2001 en in origineel op 29 mei 2001.
3. In het middel wordt erover geklaagd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderzocht of in eerste aanleg terecht verstek was verleend.
4. De inleidende dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting van het kantongerecht te Tilburg van 29 september 1999 is aan verzoeker in persoon betekend op 25 augustus 1999. Deze betekening heeft plaatsgevonden in PI De Geerhorst te Sittard. In het dossier bevindt zich een schrijven van verzoeker aan de officier van justitie van 25 augustus 1999. In deze brief wordt door verzoeker onder meer gesteld dat hij is gedetineerd en daarom niet kan verschijnen ter zitting van 29 september 1999.
5. Voorop moet worden gesteld dat detentie van een verdachte er geenszins aan in de weg mag staan om te kunnen verschijnen ter terechtzitting. Is een - uit anderen hoofde - gedetineerde verdachte niet verschenen, dan zal de rechter dienen te onderzoeken of de verdachte door de detentie is verhinderd te verschijnen of (impliciet) dienen vast te stellen dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht op aanwezigheid bij de behandeling van zijn zaak. Ik wijs op HR 21 februari 1989, NJ 1989, 685 en ter vergelijking ook op HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 136.
6. In de voorliggende zaak bevindt zich in het dossier een ondertekende verklaring van verzoeker van 25 augustus 1999 waarin hij verklaart niet aanwezig te willen zijn op de terechtzitting van het kantongerecht te Tilburg van 29 september 1999. Gezien deze verklaring heeft de rechter in eerste aanleg kunnen aannemen dat verzoeker aldaar niet wenste te verschijnen. Anders dan in het middel wordt verondersteld, heeft verzoeker derhalve ondubbelzinnig afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. Zie voor het gevolg van een niet-ondertekende afstandsverklaring: HR 29 januari 2002, nr 00827/01.
7. Naar aanleiding van de afstandsverklaring wil ik nog wel het een en ander opmerken. Op het formulier voor de afstandsverklaring, opgesteld door het arrondissementsparket Breda unit kanton & verkeer, is de volgende tekst opgenomen:
"Hierbij adviseer ik u om afstand te tekenen, voor de kantongerechten Tilburg, Bergen op Zoom en Zevenbergen wordt geen transport geregeld."
Verzoeker is aldus geadviseerd om afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Naar mijn opvatting is een dergelijk 'advies' ontoelaatbaar. Het gebruik kunnen maken van het - onder meer in art. 6 EVRM gewaarborgde - aanwezigheidsrecht kan immers niet afhankelijk worden gesteld van het al dan niet van justitiewege organiseren van transport. Misschien hebben de ontwerpers van de brief gesolliciteerd naar behandeling ervan in het televisieprogramma "Ook dat nog". Dat het hier gaat om een (eenvoudige) kantongerechtszaak maakt dit niet anders. Nu verzoeker echter op geen enkel moment - ook niet in zijn brief aan de officier van justitie van 25 augustus 1999 - heeft aangegeven wél aanwezig te willen zijn, kan ambtshalve ingrijpen mijns inziens achterwege blijven.
8. In het middel wordt betoogd dat de rechtbank in hoger beroep had moeten vaststellen dat de kantonrechter in eerste aanleg ten onrechte heeft aangenomen dat verzoeker aldaar afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Volgens de steller van het middel had de rechtbank vervolgens de zaak dienen terug te wijzen naar de kantonrechter.
9. Afgezien van het feit dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verzoeker wél afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg, kan het middel reeds op grond van HR 27 mei 1997, NJ 1997, 566 niet tot cassatie leiden. Verzoeker is op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte gebracht van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg. De inleidende dagvaarding is immers aan verzoeker in persoon betekend. In zo'n situatie is, volgens HR 27 mei 1997, NJ 1997, 566 geen sprake van een uitzondering op de hoofdregel van art. 423, tweede lid, Sv. Het middel berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting en faalt aldus.
10. Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG