Nr. 00216/02
Mr Jörg
Zitting 3 september 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 2 oktober 2001 wegens kort gezegd medeplegen van invoer van cocaïne veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel voert aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig aan verzoeker is betekend, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is.
4. Door de verdediging is voor het hof aangevoerd dat de inleidende dagvaarding als gewone brief had moeten worden verzonden naar het adres [a-straat 1] te [woonplaats], het adres waarop verzoeker laatstelijk stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
5. Het hof heeft dit verweer verworpen en daartoe volgens het proces-verbaal van de appèlzitting op 18 september 2001 overwogen:
"() dat de inleidende dagvaarding wel geldig is betekend, daar de verdachte blijkens het in hoger beroep overgelegde verwerkingsoverzicht GBA-gegevens (met als verwerkingsdatum 4 september 2001) ten tijde van de betekening was uitgeschreven van [...] [woonplaats], [a-straat 1] en toen geen ander adres van hem in Nederland bekend was."
6. In cassatie wordt aangevoerd dat uit de processtukken blijkt dat in de aan de betekening van de inleidende dagvaarding voorafgaande fase van de procedure stukken naar verzoeker op het bovengenoemde adres zijn verzonden alsmede naar het adres [b-straat 1] te [woonplaats]. Op deze adressen stond verzoeker ten tijde van de verzending van de desbetreffende stukken achtereenvolgens ingeschreven in de GBA.
7. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de inleidende dagvaarding, nadat deze aan de griffier van de rechtbank was betekend omdat "van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is", als gewone brief had moeten worden verstuurd naar het adres waarop ten tijde van de betekening verzoeker al ruim tweeëneneenhalve maand niet meer stond ingeschreven in de GBA, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Voor zover het middel bedoelt te betogen dat het hof nader had moeten onderzoeken of verzoekers laatste GBA-adres, hoewel hij zich daar had uitgeschreven, wellicht nog wel als diens feitelijke woon- of verblijfplaats had moeten worden aangemerkt, faalt het eveneens. Een verweer met die strekking is immers blijkens de overgelegde pleitnota en het p-v van de zitting voor het hof (en ook in cassatie) niet gevoerd, terwijl ook de stukken van het geding geen enkele aanwijzing in die richting bevatten. De impliciet gestelde vraag is of hier van een in HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 m.nt. Sch, r.o. 3.24 geformuleerde uitzondering op de in r.o. 3.23 geformuleerde regel sprake is. Met name de daar onder b. genoemde gevallen, waaromtrent geen algemene regel is te geven zijn hier relevant. Indien wij ons op die gevallen concentreren blijkt dat verzoeker in het vooronderzoek geen andere adressen heeft opgegeven, dan die welke hij nadien blijkens de GBA heeft verlaten, terwijl verzoeker niet vóór 30 juli 1999, toen hij in persoon hoger beroep instelde, aan Justitie te kennen heeft gegeven dat het adres [a-straat 1] te [woonplaats] nog steeds of opnieuw als zijn feitelijke woon- of verblijfplaats gold. Bekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg kan uit de stukken niet worden geconstrueerd.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG