Nr. 02187/01
Mr Fokkens
Zitting: 8 oktober 2002 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk en een geldboete van f 750,=, subsidiair 15 dagen hechtenis wegens openlijke geweldpleging.
2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen.
3. Namens verdachte heeft mr M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "geweld" als bedoeld in art. 141 (oud) Sr en niet heeft gerespondeerd op een dienaangaand gevoerd verweer.
5. Blijkens het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van politie heeft het Hof vastgesteld dat:
- een groep supporters op de openbare weg stenen aan het gooien was naar de politie;
- de verbalisanten hoorden dat er een voorwerp tegen het surveillancevoertuig werd gegooid;
- vervolgens de verdachte vanuit de groep supporters in de richting van het surveillancevoertuig kwam gelopen;
- de verdachte daarbij "twee stenen in zijn beide handen droeg" (ik begrijp: een steen in elke hand, JWF) en vervolgens met zijn rechterhand een bovenhandse, achterwaartse beweging maakte met de steen in zijn hand;
- de verdachte is daarop aangehouden.
6. In de jurisprudentie is de vraag of bepaalde handelingen van een verdachte voldoende waren voor de vaststelling dat deze met verenigde krachten geweld heeft gepleegd aan de orde geweest. In HR 17 november 1992, NJ 1992, 292 oordeelde de Hoge Raad dat het dreigend omhoog heffen van een nunchakuwapen dat gepaard ging met het in een groep, schoppende, slaande en schietende personen opdringen tegen anderen, "geweld" in de zin van art. 141 Sr kan opleveren. Ook het spugen en hinderlijk opdringen tegen iemand kan zulks opleveren (vgl. HR 10 oktober 1995, NJ 1996, 356). Uit het voorgaande volgt dat de handelingen van een verdachte in de context van door anderen gepleegde geweldshandelingen "geweld" in de zin van art. 141 (oud) Sr kunnen opleveren.
7. Nu het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte, terwijl hij deel uitmaakte van een stenen gooiende groep supporters, stenen in zijn handen had en met een hand een werpende beweging maakte, geeft 's Hofs oordeel dat de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen "geweld" als bedoeld in art. 141 (oud) Sr opleveren, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. De klacht dat het Hof verzuimd heeft te responderen op het verweer inhoudende dat de gedragingen van de verdachte geen "geweld" in de zin van art. 141 (oud) Sr opleveren, is terecht voorgesteld. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu het Hof het verweer om de hiervoor vermelde reden slechts had kunnen verwerpen.
8. Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.