Rekest R02/009HR
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 27 september 2002
Conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
Politie Noord- en Oost Gelderland
Inleiding
1. Thans eiser tot cassatie, [verzoeker], heeft bij dit geding inleidend verzoekschrift van 23 juli 2001 een verzoek ingediend strekkende tot correctie/aanvulling in de Politieregisters van de politie. Thans verweerster in cassatie, verder: de Politie, heeft verzocht dit verzoek te verwerpen.
De Rechtbank te Zutphen heeft het verzoek van [verzoeker] bij beschikking van 27 september 2001 afgewezen.
2. [Verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij door hem ondertekend verzoekschrift gedateerd 6 november 2001 en ingekomen ter griffie op 9 november 2001.
Het Gerechtshof te Arnhem heeft [verzoeker] bij beschikking van 20 november 2001 niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep op de grond dat het appelverzoekschrift niet is ingediend door een procureur zoals voorgeschreven in art. 429d lid 3 (oud) Rv. juncto art. 61 van de Advocatenwet.
3. [Verzoeker] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld; de Politie is in cassatie niet verschenen.
Het cassatiemiddel
4. Het middel komt terecht op tegen de door het Hof uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn hoger beroep. Uit het bepaalde in het hier toepasselijke art. 23 lid 6 van de Wet politieregisters zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 september 2001 van de Wet van 5 april 2001 tot wijziging van bepalingen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (Stb. 2001, 180), blijkt dat op de onderhavige verzoekschriftprocedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep titel 12 van Boek 1 (oud) Rv. (thans titel 3 Boek 1 Rv.) van toepassing is, maar dat bij een en ander een uitzondering geldt voor de verplichting tot procureurstelling neergelegd in art. 429d lid 3 (oud) Rv. (thans art. 278 lid 3 Rv.). Vóór de inwerkingtreding van genoemde wet van 5 april 2001 gold eveneens dat het verzoekschrift niet door een procureur behoefde te worden ingediend en getekend; dit op de voet van art. 23 lid 2 (oud) van de Wet politieregisters welke bepaling verwees naar art. 34 lid 6 van de Wet persoonsregistraties (welke wet inmiddels is vervangen door de op 1 september 2001 in werking getreden Wet bescherming persoonsgegevens (Stb. 2000, 302)). Zie HR 26 oktober 2001, R01/020HR, met uitvoerige conclusie van mijn ambtgenote Wesseling-van Gent, en HR 18 juni 1999, NJ 1999, 629. Naar oud en nieuw recht geldt aldus op het punt van de verplichte procesvertegenwoordiging hetzelfde in zaken als de onderhavige; volledigheidshalve teken ik aan dat de vraag of het appelverzoekschrift door een procureur moet worden ingediend in casu, zoals gezegd, moet worden beantwoord aan de hand van art. 23 lid 6 van de Wet politieregisters zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 september 2001 van de Wet van 5 april 2001 (Stb. 180). De bepaling heeft onmiddellijke werking nu een specifieke bepaling van overgangsrecht ontbreekt. Bovendien dateert de beschikking in eerste aanleg van na de datum van inwerkingtreding van de Wet van 5 april 2001; vergelijk de overgangsbepaling van art. VII van de Wet van 6 december 2001 (Stb. 2001, 580) tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg.
5. De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven en verwijzing zal moet volgen.
Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden